In de kijker

Grondvest

JeV: De eerste Vlaming die in de gevangenis stierf voor Vlaanderen, was een Jood
28-9-2018

10 september 1920. De Vlaamsgezinde activist Marten Rudelsheim (1873 - 1920), overlijdt door gebrekkige medische verzorging in het bijzijn van enkele familieleden en activistische medegevangenen in Belgisch gevangenschap. Hij werd begraven op het Schoonselhof, de stedelijke begraafplaats van de stad Antwerpen. Na zijn dood vermeldde Herman Vos (Frontpartij) Rudelsheim in een redevoering over de overtuigde Vlamingen, die begraven liggen op het domein: “Zoo [een levend Vlaanderen] wilt gij het, zoo willen zij het allen, die hier rusten onder de Vlaamsche groene zoden: vader Conscience, Benoit en heel de Vlaamsche falanx van den eersten aanval, en de lateren, zoo al niet de laatsten, (…) Marten Rudelsheim … Deze doodenakker is als de plaats van de gemeenschap der Vlaamsche zielen. Hier zijn wij bij de vertrouwden van ons hart en van ons verstand bij hen die stonden vooraan in den strijd, en die ons voorgingen.” Een mooie boodschap, maar wie was Rudelsheim nu eigenlijk en waarom achtten velen hem zo waardevol voor de Vlaamse strijd?
































Marten Rudelsheim vestigde zich op twaalfjarige leeftijd met zijn ouders te Antwerpen. Hij volgde humaniora aan het Koninklijk Atheneum te Antwerpen. Al op dit atheneum ontpopte Rudelsheim zich als een ijverig en progressief ingestelde flamingant. Via Vlaamse studentenclubs raakte hij in contact met de sociaalvoelende Lodewijk de Raet, met wie hij in 1892 al voor bestuurlijke scheiding pleitte. Daarnaast was hij overtuigd voorstander van een zelfstandige Vlaamse hogeschool. In 1904 schreef hij ‘Eenige denkbeelden over praktisch flamingantisme’, waarin hij duidelijk partij koos voor de sociale kant van Vlaanderens strijd voor emancipatie. In 1906 verscheen zijn brochure ‘De Vlaamsche Mijnbouwschool’. Daarin stelde hij dat alleen door Vlaams technisch hoger onderwijs de dreigende verfransing van het Kempisch kolengebied kon afgewend worden. Kort daarna, in 1907, was hij een der secretarissen van de tweede Vlaamsche Hoogeschoolcommissie.

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos Rudelsheim voor het activisme. Hij was de overtuiging toegedaan dat Vlaanderen binnen het kader van de Belgische wetgeving zijn rechten mocht nemen. Ook via de Duitse bezetters. In deze zin aanvaardde hij in 1916 de vernederlandsing van de Gentse universiteit, waarvoor hij een ijverig propagandist werd. In hetzelfde jaar werd hij lid van het Vlaamsch Verbond te Antwerpen, dat pleitte voor een “zelfstandig Vlaanderen in een vrij en onafhankelijk België”. Daarnaast had hij de leiding van de in 1917 opgerichte volksuniversiteit van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) te Antwerpen en was hij Vlaams correspondent voor het Noord-Nederlandse dagblad ‘De Nieuwe Courant’. Toen August Borms op 22 december 1917 de volledige onafhankelijkheid van Vlaanderen uitriep, trok hij zich uit de Raad terug. Dit samen met onder andere Herman Vos. Na de oorlog werd hij gearresteerd en uit zijn ambt gezet. Samen met Vos werd hij in ‘het proces van de Antwerpse intellectuelen’ berecht en op 3 april 1920 tot een gevangenisstraf veroordeeld. Ondanks zijn internering slaagde hij erin vader Van den Reeck op de dag van de begrafenis van Herman - zijn zoon, die tijdens de 11 julistoet van 1920 in Antwerpen werd doodgeschoten - moed in te spreken. Zijn gezondheid liet echter te wensen over en door de gebrekkige medische verzorging stierf hij in de Antwerpse gevangenis. August Borms schreef na Martens overlijden: “Telkens wanneer onze vrienden die in Antwerpen zaten, beroep aanteekenden tegen de bekrachtiging vanwege de raadkamer, moesten zij daarvoor naar Brussel vervoerd worden en kwamen dan te Vorst terecht, waar ik zoo o.a. onze makkers Herman Vos, Firmijn Mortier en Marten Rudelsheim z.g. van verre kon zien en soms vlug groeten. Bij onzen vriend Rudelsheim, die den 10den September 1920 in de cel te Antwerpen zou bezwijken, was dit vluchtig weerzien ons laatste vaarwel.”

 

De door het Martelarenfonds uitgegeven doodskaart riep de vrienden van Rudelsheim op om bijeen te komen op zondag 12 september om 11 uur in de voormiddag. Het bijkomende tekstje las: “Een Vlaming is gevallen. Dat zijn strijdmakkers hem op waardige wijze uitgeleide doen.”

Verschillende prominenten binnen de Vlaamse beweging betitelden Marten Rudelsheims overlijden als een groot verlies. Firmin Mortier sprak de lijkrede uit en maakte er feitelijk een aanklacht van. Pieter Tack, president van de kortstondige onafhankelijke Vlaamse staat (december 1917-november 1918), maar ook een jeugdkameraad van Rudelsheim, noemde hem een strijder in ‘De Dietsche gedachte’ (november 1933). Hij prees de overledene als een grote Vlaming en een grote Jood die zijn joodse ras, waarvan hij de vele gaven in zich harmonisch verenigde, altijd trouw gebleven was. Ook de liberale progressist Leo Augusteyns uitte zich in ‘De Schelde’ van 7 september 1921 diep getroffen door het offer. In zijn tekstje prees hij de overledene voor zijn aanhankelijkheid bij leven. ‘Zelfs’ August Borms stelde tijdens de begrafenis van Maarten Rudelsheim dat “de eerste Vlaming die in de gevangenis was gestorven voor Vlaanderen een Jood was”. Tot slot wijdde de Vlaamse dichter René De Clercq een gedicht aan Rudelsheim:

 

“Mij, kranken banneling, valt het nieuws op 't lijdensbed,

Dat Rüdelsheim in staatsgevang gestorven is,

Voor Vlaanderen. Helaas, zoo zullen velen sterven;

En telkens wordt ons arme Vlaandren rijk begraven.

(…)

Tot voor uw rechters hebt gij kloek den eed herhaald

Voor Vlaanderens zelfstandigheid. Daar voelden wij

Eén man, één woord, één ziel, één vrijheid, één geweten.

O Martelaren, over uwe graven straalt

Het eerste nieuwe licht. Door u wordt Vlaandren vrij.

Uw naam, o Rüdelsheim, zal Dietschland nooit vergeten.”


 Nick Peeters