Mark Grammens, van Nova Civitas tot Rondas

Jan Van de Casteele 03-04-2009

Wat de blogger vandaag doet, doet Mark Grammens al twintig jaar. Maar dan wel op papier en met een kwaliteit en duidingskracht die in de hedendaagse media nog nauwelijks voorkomt. Grammens kreeg op 9 maart in Gent de Prijs voor de Vrijheid, elk jaar uitgereikt door de Vlaamse liberale politiek club Nova Civitas (meer info hierover: zie bijlage). Op 21 maart was hij de gast van Jean-Pierre Rondas in zijn zondagse Klara-programma Rondas (te herbeluisteren op www.radio.klara.be/radio/herbeluisteren.php). Geert Van Hout (http://berlijnsereflecties.blogspot.com) zorgde voor de transcriptie van het gesprek. Onderaan volgt de tekst van de toespraak van Grammens in Gent, waarin hij uitvoerig inging op de ontwikkelingen in het medialandschap (‘Voor de pers is crisis een uitdaging’)

(De bindteksten van JPR zijn niet volledig weergegeven.)

[Jean-Pierre Rondas, JPR] – Beste luisteraar, ik ben aan mijn derde brommende, vermanende maner toe in een reeks van drie. Het is Mark Grammens, de journalist van Vlaanderen. U weet nog wie de twee anderen waren, vorige week Immanuel Wallerstein, de wereldsysteemdenker. En met Wallerstein heeft Grammens een zeker internationalisme gemeen, met een gezonde dosis kritiek op het Amerikaanse imperialisme, van Vietnam tot Irak. De eerste maner in de reeks was de pas overleden Jaap Kruithof, en ook die kwam als vrijzinnige en als marxist, af en toe wel eens, net zoals Grammens dat altijd doet, uit voor zijn links Vlaams-nationalisme.

Zo werd Mark Grammens ook lang beschouwd: als links, behorende tot het progressieve kamp. Maar die perceptie is in Vlaanderen gekanteld. Plots was hij rechts, en dat heeft alles te maken met de veranderde houding tegenover de Vlaamse autonomie, tegenover het Vlaamse autonomiestreven bij de politiek correcte intelligentsia. Want in feite is Grammens vandaag, op zijn vijfenzeventigste, nog altijd een van de weinige buitenlandjournalisten met een scherpe blik op alle kolonialismen en imperialismen, van welke origine dan ook, jawel, ook een blik op het kolonialisme van Israël in Palestina.

Niet toevallig was Grammens de stichter van het enige tijdschrift voor buitenlandse politiek dat Vlaanderen ooit bezat, het fameuze Tijdschrift voor Diplomatie, denk aan Le Monde Diplomatique. En niet alleen daardoor behoorde hij ooit tot een progressief kamp. Hij behoorde daartoe voornamelijk door hét weekblad par excellence van de jaren '60 en '70, De Nieuwe. De Nieuwe, dat hij nogal autoritair leidde, maar waarin op een gegeven moment de fine fleur van de Vlaamse culturele journalistiek heeft geschreven en getekend. Getekend daarin heeft bijvoorbeeld de karikaturist Gal, die is daar groot geworden, die was op den duur gewoon 'De Nieuwe incorporated'.
U herinnert zich ook dat de Nieuwe een van de doodgravers van het Egmontpact is geweest en daarmee ook van Tindemans zijn eersteministerschap.
De Nieuwe werd oud toen er een stel jonge redacteuren hem overnamen. En Mark Grammens, die een bundel journalistieke ervaring was, opgedaan in Engeland, Grammens begon in 1988 op zijn eigen, met het veertiendaagse blad Journaal.

Alleen voor abonnees, dat is het eerste kenmerk van Journaal. Twee, merkwaardig is dat blad in die zin dat er alleen zwarte letters op een wit blad te zien zijn, niets anders, geen kleur, geen foto, geen reclame, niets, alleen tekst. Een derde kenmerk: die tekst is alleen van zijn hand. Hij zit ondertussen aan bladzijde 4280 of daaromtrent, a rato van acht bladzijden per keer, dag in dag uit geschreven op een oude Adler, een machien dat zijn bezitter en pijniger ondertussen gewoon moet zijn geraakt. Van 1988 tot nu, dus meer dan dertig (sic!) jaar is Journaal bezig, de marktwetten te tarten. Als lezer is men het eens of niet eens met de soms zeer persoonlijke stellingnames daarin, maar één ding is zeker: op die plekken waar Journaal in de bus valt wil iedereen het blad als eerste lezen.

Zelf omschreef hij zijn achtbladige afleveringen als telkens weer een verzameling van hoofdartikelen. Hoofd-artikelen welteverstaan, zoals in buitenlandse kranten, want hier kent men dat niet meer. Zo spreekt Grammens trouwens ook. Grammens onderbouwt zijn standpunten met een karrenvracht lectuur, voornamelijk van andere kranten en nieuwsbronnen. Wat dat betreft is hij zoals Noam Chomsky, die heel duidelijk en heel candide ook altijd zegt: 'maar wat ik vertel is toch niks nieuws, dat is toch allemaal openbaar'. Welnu, ook Grammens doet die zoektocht voor ons in feite, waarbij hij nog eens een haarscherp geheugen heeft voor uitspraken van politici. En politici worden nu eenmaal nooit graag herinnerd aan de uitspraken van de vorige dag.

(...) 

Waarover gaan we het nu hebben? Simpel, over de periode tussen de vorige federale verkiezingen, juli 2007, en de volgende regionale verkiezingen, juni 2009. We beginnen met een vergelijking van nu met een episode uit het verleden, namelijk de Koningskwestie uit 1950 (waar haalt hij het uit?) en we eindigen met de Fortiscommissie, of hoe heette ze. En daartussenin gaat het over de splitsing van B-H-V, en over de staatshervorming, waarvan hij voornamelijk zegt dat we daar geen haast mee moeten maken. Niet dringend. Wachten. Maar eerst: 60 jaar terug.

1. Koningskwestie 1950 - staatshervorming 2007

[Mark Grammens, MG] – Wat er gebeurd is bij de Koningskwestie is (ik heb het niet over de grond van de zaak hé, louter wat er naar aanleiding daarvan gebeurd is), dat op een gegeven moment de koningsgezinden geen andere keuze hadden dan te stemmen voor de CVP. De CVP heeft daar duchtig van geprofiteerd, terwijl aan de top van de CVP er een aantal mensen waren die hoegenaamd geen voorstander waren van de terugkeer van Leopold III op de troon. De CVP heeft toen een absolute meerderheid gehaald van de stemmen en heeft die absolute meerderheid gebruikt om een homogene regering samen te stellen, de regeringen Pholien en Van Houtte, en die regeringen hebben het beleid gevoerd dat de CVP wilde voeren – op heel andere terreinen dan dat waarvoor ze verkozen was, dat was Leopold III terugbrengen. Het voornaamste dat die homogene regering tot stand heeft gebracht, is een enorme scholenbouw in het katholiek onderwijs. Dat was misschien wel noodzakelijk, daar gaat het nu niet om. Het gaat niet over de grond van de zaak, ik heb het niet tegen die scholenbouw. Ik wil alleen zeggen: men is verkozen op een heel ander thema dan datgene waar men campagne (Grammens zegt 'beleid') voor gevoerd heeft.

Ik heb daar in de loop van 2007 zeer vaak moeten aan terugdenken. De huidige CD&V, de opvolger van de CVP, maakt groot kabaal rond een bepaald thema, legt zware beloften af, precies zoals de hele CVP in het jaar 1950 zware beloften aan de kiezer heeft gedaan over Leopold III, maar houdt die beloften niet en voert met het stemmenaantal dat ze op die basis gekregen hadden, een heel ander beleid dan wat de kiezer heeft verwacht en waarvoor men gestemd heeft. 't Is juist dezelfde geschiedenis. En weer ging het om een belofte, die geloofwaardig klonk. Men had in '50 het gevoelen dat de CVP inderdaad zich zou inspannen voor de terugkeer van Leopold III op de troon. Mensen hadden die overtuiging, niet de top van de CVP, sommigen wel hoor.

En nu weer: waarom hebben een groot aantal mensen nu voor CD&V gestemd, in 2007, die dat bij vorige verkiezingen niet gedaan hadden (het gaat over een behoorlijk aantal)? Omdat de beloften die de CD&V gedaan heeft in verband met de staatshervorming, geloofwaardig klonk. Dat was het probleem, men kan zo luid roepen als men wil dat men een grote staatshervorming nastreeft, dat is geen echte zakelijke belofte omdat, daaruit volgt niet dat men het realiseert, men moet de staatshervorming realiseren in samenspraak met anderen, franstalige partijen. Dus het afleggen van een belofte 'wij gaan zorgen voor een staatshervorming', dat geeft geen zekerheid. Voorzitter Vandeurzen, hij vooral, Leterme ook, maar vooral Vandeurzen beloofde niet alleen om een staatshervorming tot stand te zullen brengen maar van niet in een regering te zullen treden als die staatshervorming niet doorging.

Die belofte is het die mensen heeft doen stemmen voor CD&V die het in andere omstandigheden niet zouden gedaan hebben. Dat is dus weer dezelfde geschiedenis als bij de terugkeer van Leopold III. Men belooft iets, dat klinkt geloofwaardig, en dan komt men aan de macht. En dat is alles. Uiteindelijk heeft de CD&V niets, volstrekt niets bereikt van wat ze beloofd had. Dat is het niet wat moet kwalijk moet genomen worden, maar wel dat ze de daaraan verbonden waarborg, daar gaat het om, de waarborg, te weten, niet in een regering te zullen treden zonder de belofte uit te voeren, dat ze die waarborg niet heeft weten te handhaven. Daar gaat het om. Ik denk dat dit het belangrijkste politiek feit is geweest van die periode: de onbetrouwbaarheid van een Vlaamse potentiële regeringspartij wanneer het gaat om het nastreven van de macht, de onbetrouwbaarheid wat haar kiesbeloften betreft.

Hetzelfde met de N-VA. De vorming van het kartel met de N-VA was soort van waarborg, een bijkomende waarborg dat de belofte zou gehandhaafd worden. Want men wist: dat is de bestaansreden van die partij. Derhalve, zolang die partij erbij is zal men die belofte moeten houden.

Trouwens, Greta d'Hondt, dat was de dame die in de senaat het ACV vertegenwoordigde en die nu (ze is geen senator meer) werkt op het kabinet van Milquet, als ACV-pion daar, welnu zij heeft ooit in een interview zeer duidelijk gezegd: "Het kartel met N-VA was niet inhoudelijk bedoeld, er was geen inhoudelijke basis voor, het ACV heeft alleen het kartel getolereerd met het doel aan de macht te komen." Zij is daar in een interview openlijk voor uitgekomen. Dus daar was een dubbel kiezersbedrog: aan de ene kant, men beloofde als waarborg voor het feit dat men een staatshervorming zou nastreven, beloofde men niet aan een regering deel te nemen. En de tweede waarborg was: wij zijn in een alliantie met de N-VA, die dat als voornaamste streefdoel heeft, dus ge moogt gerust zijn.

Dus van het standpunt uit gezien van de machtspartij waren die twee garanties die ze bood aan de kiezer verantwoord. VLD heeft zich tijdens de verkiezingen van het jaar '07 veel minder op dat thema geprofileerd, dus ik denk niet dat er zoveel mensen speciaal voor de VLD gestemd hebben omwille van die reden, terwijl er wel ongeveer een derde van de kiezers van de CD&V voor die partij gestemd hebben om die reden en niets anders, mensen die in andere omstandigheden, indien ze dus niet... geen geloof hadden gehecht aan de beloften die gedaan werden, zouden gestemd hebben voor Vlaams Belang, voor een andere partij, om het even, maar misschien niet voor CD&V.

Zodra het perspectief op een...de machtsuitoefening aanwezig was, heeft er een korte interne strijd plaatsgevonden binnen de leidende regionen van de CD&V, die geleid heeft tot de machtswisseling tussen Leterme en Van Rompuy. Want Leterme, ik denk niet dat Leterme zeer Vlaamsgezind is, hoor. Ik ga niet overdrijven, maar ik moet in het voordeel van Leterme zeggen dat ik er wel van overtuigd ben dat die man oprecht gelooft dat de redding van België ligt in een grote staatshervorming. De reden waarom Leterme dit nastreeft is minder flamingantisme, Vlaamsgezindheid, dan wel een verlangen naar een goed bestuur. Hij had als minister-president van Vlaanderen aangevoeld dat het strikt noodzakelijk was voor een goed bestuur om een grote staatshervorming door te voeren. Die man was daar, denk ik, oprecht van overtuigd, ik denk ook dat hij in alle oprechtheid maandenlang op Hertoginnedal en elders gewerkt heeft aan het nastreven van dat doel.

Maar op het kritiek moment gekomen, wanneer gebleken was dat dus het Waalse 'non' onverzettelijk bleef is er binnen de CD&V beslist van het doel niet langer na te streven, maar gewoon aan de macht te komen. En dat aan de macht komen heeft niet geleid tot de vervulling van een andere belofte die gedaan werd, namelijk goed bestuur leveren. Het is inderdaad een puur immobilisme geworden. Hoewel, toch niet onderschatten : men vertelt mij dat er dagelijks misschien wel honderd, indien niet meer, benoemingen en bevorderingen ten voordele van partijmensen en vooral van de vakbond worden verricht op dit ogenblik. Dus dat is naar mijn gevoel op dit moment de enige vorm van machtsuitoefening die de CD&V uitvoert. (14:37)

2. BHV, separatisme, confederalisme, Brussel

(Dit tweede deel is al te vinden op victacausa.blogspot.com en op Inflandersfields.eu. Transcriptie Marc Vanfraechem)

MG: Ik ben geen groot voorstander van het betalen van om het even welke prijs, zelfs niet de geringste, voor zowel het tot stand brengen van een staatshervorming, als voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Ik ben natuurlijk wel voorstander van die twee gebeurtenissen –dat spreekt vanzelf, waarom zou ik het niet zijn?– maar ik vind het totaal onverantwoord van daar ook maar de geringste prijs voor te betalen.

Wat staatshervorming betreft moeten we een beetje, in Vlaanderen een beetje meer lezen, Le Soir lezen, en andere Franstalige kranten lezen. Dan zouden we weten dat de Franstalige partijen, de Franstalige elite, op dit ogenblik volop bezig is, bijna geobsedeerd is door het thema van de splitsing van België.

Het enige dat hen op dit ogenblik interesseert, dat is de best mogelijke voorwaarden bekomen, waarop bij een eventuele splitsing Wallonië tot stand kan worden gebracht, hetzij bij Frankrijk, hetzij anders, om het even. Zij doen daar alles voor. Zij gaan zo ver van zelfs idiotieën zoals een corridor tussen Brussel en Wallonië te verdedigen, wat gewoon absurd is. Alsof de Vlamingen militair zouden de grens met Wallonië afsluiten. Je, je moet halfgek zijn om zo te redeneren. Maar bon, ze zijn nu eenmaal zo. Ze zijn geobsedeerd door een soort verlatingsangst, en van daaruit halen zij de gekste toeren uit.

Maar, je moet wél begrijpen: elke toegeving die nu gedaan wordt, die wordt definitief op het moment van een eventuele splitsing. Kijk, ik ben er voorstander van, ik zou wensen dat ook alle Vlamingen die geen voorstander zijn van de splitsing van België, voortdurend met dat feit rekening zouden houden, precies zoals álle Walen op dit ogenblik dat doen. Dat is wat in Vlaanderen nu moet, nodig is, dat is een Vlaamse elite die, zelfs indien zij geen splitsing van België wenst, er toch in al haar daden rekening mee houdt. Om die reden ben ik dus tegen élke vorm van toegeving, in ruil voor het verkrijgen van een verdere staatshervorming. Dat vind ik dus niet verantwoord.

Er zal op het moment van de splitsing, als die ooit plaatsvindt, ik zeg wel áls, zal er nog genoeg onderhandeld moeten worden. Dus, laten wij in godsnaam niets prijsgeven nu, dat is gewoon een lichte vorm van landverraad, van Vlaams standpunt uit gezien. Dat dus wat de staatshervorming betreft.

Nu, wat Brussel-Halle-Vilvoorde betreft, volg ik dezelfde redenering, dus ook daar geen enkele toegeving doen. Ik ben het met Johan Vande Lanotte eens dat dit ook niet hoeft, want dit is een norm, die splitsing, die vastligt en die door het Constitutioneel Hof wordt opgedragen aan de Wetgevende en de Uitvoerende Macht, hetgeen betekent dat, als er verkiezingen plaatsvinden in het jaar elf, of vroeger, voor Kamer en Senaat, en Brussel-Halle-Vilvoorde is niét gesplitst, dan wordt dat een resem van processen, van alle Vlaamsgezinden. Die gaan zich inspannen om zoveel mogelijk processen aan te spannen totdat die ongeldigverklaring van die verkiezingen volgt.

En dan komt er het volgende: dan worden wij in de wereld weer eens voor schut gezet. Allez kom, de hoofdstad van Europa kan geen geldige verkiezingen organiseren, beeld u dat in!
Als je er van uitgaat dat de Franstaligen meer belang hebben bij het behoud van België, en bij de reputatie van België, dan de Vlamingen die op zichzelf kunnen bestaan, dan volgt daaruit dat het in het voordeel van de Franstaligen is dat Brussel-Halle-Vilvoorde gesplitst wordt. Ziet ge? En ik ben er van overtuigd dat zij dat ook weten. Ze proberen alleen van de gelegenheid gebruik te maken om van de Vlamingen van alles binnen te halen, te verkrijgen. Geef daar niet aan toe, en die splitsing komt er sowieso.

[JPR] ...wie in de geschiedenis van de Belgische staat toch een paar krachtlijnen kan zien, weet ook wel dat er één lijn duidelijker gemarkeerd is dan alle andere, namelijk die naar meer soevereiniteit voor Vlaanderen, met andere woorden: de centrifugale lijn.

MG: Dat weten de Franstaligen ook, dat wij dat zo opvatten als een stap naar de geleidelijke totstandkoming van een Vlaamse natie. Dat hoeft daarom geen volledige zelfstandigheid te zijn. Als ik spreek over Vlaamse natie, ben ik realistisch genoeg om daar niet de Vlaamse Republiek mee te bedoelen, maar wel een zeer verregaande vorm van confederalisme. Dat volstaat voor mij hoor, omdat een volledige zelfstandigheid, is in de huidige internationale context zeer moeilijk realiseerbaar. Wij gaan met enorme, enorme oppositie te maken krijgen in Europa en in de wereld. We gaan er alleen maar problemen mee krijgen.

Bovendien vraag ik mij af –dat is nog het ergste eigenlijk– vraag ik mij af of dat Vlaanderen op dit ogenblik over het politieke personeel beschikt om zoiets door te voeren, op een manier die een beetje presentabel is.

De Walen zijn tegen confederalisme omdat zij niet wensen op eigen benen te staan. Zij weten zeer goed dat confederalisme onder andere inhoudt dat er een transparantie komt in de bedragen die overgedragen worden van de ene deelstaat naar de andere. Dat kan niet anders. In, in Duitsland bijvoorbeeld, is dat klaar en duidelijk. Elke deelstaat weet, elke kiezer weet hoeveel zijn staat bijdraagt aan de heropbouw van het voormalige Oost-Duitsland. Het is algemeen geweten, de transparantie is volledig. Dus dat is eigen aan, aan dat soort systemen. Alleen bij ons bestaat er geen transparantie in de overdracht van middelen van de ene deelstaat naar de andere. Bij confederalisme is dat gedaan. Dan komt de transparantie, en dan beslist Vlaanderen, min of meer autonoom, over de bedragen die toegekend worden en de besteding ervan.

De voornaamste reden waarom ik nu op dit moment zwaar voorstander ben van tenminste een zeer gedegen confederalisme, indien geen zelfstandigheid, dat is dat in een confederaal systeem er geen dispuut meer bestaat over de grenzen, over de begrenzing. Dat is de voornaamste verworvenheid van het confederalisme. Het is natuurlijk ook de reden waarom de Franstaligen, die altijd op gebiedsuitbreiding uit zijn, er tegen zijn. Maar dat is waarom we confederalisme dringend, dringend nodig hebben. Dat is om definitief vastliggende grenzen te hebben. En dan wordt het veel minder belangrijk of er immigratie in Vlaanderen is vanuit Brussel, of niet, omdat er toch geen grenzen meer zullen verlegd worden.

De opinievorming, over wat er in België gebeurt, is volledig in handen van de francofonie. Daar moeten we ook van uitgaan, en het helpt niet –het is spijtig dat ik het moet zeggen– maar het helpt niet door in Vlaanderen een ambtenaar aan te stellen die zich moet bezighouden met het verbeteren van het imago van Vlaanderen. Daar is veel meer voor nodig dan dat. Ook daarvoor zou om te beginnen Vlaanderen in een confederaal bestel een grotere zelfstandigheid moeten genieten, want de vorming van de wereldopinie is volledig, ik zeg wel volledig in handen van de francofonie. De enige krant die door de meetellende en meesprekende buitenlanders in Brussel –perscorrespondenten enzovoort– gelezen wordt, is Le Soir. Ik heb Le Soir nu al zoveel jaren gevolgd, en vooral sinds de verkiezingen van 2007. Ik zeg soms: .als je Vlaanderen wilt zo rap mogelijk onafhankelijk maken, geef dan de Vlaamse bevolking die Frans kent een abonnement op Le Soir cadeau, en je zult het halen.

MG: Het is de historische fout geweest van …een zeker gedeelte van de Vlaamse Beweging, en van de partijen die konden als Vlaamsgezind, heu, doorgingen, om van Brussel een derde gewest te maken. Dat was op het moment dat het gebeurd is zelfs hoegenaamd niet nodig. Men had al de hervormingen die toen plaatsgevonden hebben, gemakkelijk kunnen realiseren zonder, heu, van Brussel een derde gewest te maken. Dat is een Vlaamse toegeving geweest die men nooit had mogen doen.

Helaas het is gebeurd, en omdat het gebeurd is moeten we er rekening mee houden. We moeten van de realiteit uitgaan. En die realiteit betekent dus dat Brussel in ieder geval een partner wordt in welke vorm van beslissingen ook, over confederalisme enzovoort. Daar is niets aan te doen.

Waar ik het niet mee eens ben, dat is dat Vlaanderen zijn toekomst moet laten bepalen door de vrees Brussel te verliezen, want Brussel verliezen, die theorie steunt op de veronderstelling dat wij nu Brussel zouden hébben, en dat is gewoon de waarheid niet. De Vlaamse aanwezigheid in Brussel is sterk aan het verminderen, in alle opzichten. Om te beginnen getalsmatig. Ik zal een kleine voorspelling doen: .men zal de avond, of des anderendaags, na de verkiezingen van 7 juni van dit jaar, zal men in Vlaanderen schrikken van de achteruitgang van de stemmenaantal van de Vlaamse partijen in Brussel.

Ze zullen evenveel zetels houden, want dat zetelaantal ligt vast. Dat is een, trouwens een psychologisch zéér nadelig element weer. Doordat hun zetelaantal vastligt, doen ze er eigenlijk niets niet meer voor. Dat is, ze zijn toch verkozen! Wat zouden ze nog doen voor de Vlamingen in Brussel? Dat is ontzettend nadelig.

Als ze ons een vuile streek hadden willen lappen, de Franstaligen, dan hadden ze ons die zetels moeten geven. Ik vraag me trouwens af of het niet zo bedoeld is geweest, want het vast zetelaantal is om ...psychologisch totaal verkeerd. Daardoor wordt een illusie geschapen van deelname aan de macht, terwijl die daar in feite niet is. En bovenal komt daardoor de waarde, de democratische waarde laten we zeggen, van het aantal stemmen niet meer tot uiting. Of er nu meer, of minder Vlamingen in Brussel zijn: het blijft allemaal net hetzelfde, hé, voor de politiek. En dat is waar de politiek rekening mee houdt, en dus zeer nadelig.


Wij moeten geen rekening houden met Brussel voor de eventuele Vlaamse zelfstandigheid, zij het beperkte zelfstandigheid in confederalisme, of volledige zelfstandigheid. Vlaanderen heeft Brussel niet nodig. Dat is een grove leugen van te doen alsof het anders zou zijn. Ik en er zelfs van overtuigd geworden, want ik was vroeger een andere mening toegedaan, daar kom ik graag voor uit, ik ben er van overtuigd geworden dat Vlaanderen beter af is zonder Brussel.
De Vlaamse aanwezigheid in Brussel ...dat is architectuur hè, dat is prachtig natuurlijk, maar dat is alles, dat zijn stenen hè! Sinds men Brussel als derde gewest aanvaard heeft, moet men met de realiteit rekening houden, dat daar weinig aan te doen is. Ik geloof niet in een zogenaamde herovering van Brussel door Vlaanderen of iets ...dat, dat bestaat niet.


En Brussel laten aansluiten bij Wallonië, dat kan mij eigenlijk geen barst schelen. Laat ze doen, want kijk eens even: dat zijn twee failliete staten die samengaan. Wat is het resultaat van een failliete staat die, die een andere failliete staat overneemt? Dat is een dubbel failliete staat. Maakt geen enkel verschil uit.

Eventueel kan Vlaanderen verkrijgen dat in Brussel een gemeenschapsbeleid behouden blijft, maar afgezien van Brussel lijkt mij de evidentie dat, in een confederaal bestel, gemeenschappen ophouden te bestaan, omdat de grenzen veel vaster liggen dan in de huidige context. Zodra de grenzen vastliggen ...het kan bijna niet anders dat grensoverschrijdende gemeenschappen en zo, dat is bijna uitgesloten.

MG: Wat betekent Brussel nog als België verwasemt, dat betekent dus: .nog bestaat, maar nog maar over enkele ministeries beschikt? Wat betekent Brussel nog als Vlaanderen, het officiële Vlaanderen, uit Brussel wegtrekt? Wat betekent Brussel nog als, ten gevolge daarvan, Europa uit Brussel wegtrekt?

Want ik zou toch eens eventjes aan iets anders willen herinneren. Men zit altijd bezig over Brussel dat Europa herbergt hé, maar vorige week heeft The Economist voorspeld dat als de crisis nog lang duurt, Europa eraan gaat, de Europese Unie instort. De Financial Times heeft al dagenlang hetzelfde thema behandeld. Dus, pas op met dat Brussel is gelijk aan Europa. Dat staat absoluut niet vast. Houd daar goed rekening me alstublieft.

Europa, dat wordt beschouwd, de Europese Unie wordt beschouwd als iets dat niet meer kan veranderen. Dat dus nu, euh, nu voor eeuwig bestaat, laten we het zo zeggen. Maar dat is absoluut de waarheid niet. Europa is niét tegen een langdurige crisis bestand. Dat wordt door de financiële pers op dit ogenblik aanvaard. Als een gegeven, als een gegeven aanvaard.

 
Altijd toch niet zoveel rekening houden met Brussel als men altijd doet! Want beeld u eens in dat Brussel Europa verliest, wat blijft er nog over, zeg mij eens, hé? Waar, waar staat Brussel? Dan wordt het helemaal niks anders meer dan de islamitische hoofdstad van Europa hé, en niks anders meer. Houd er mee op met soms zó bezig te zijn met Brussel. Houd rekening met de objectieve factoren in de wereld, en stel dan vast: de Europese roeping zogezegd van Brussel, dat is een windei.

Vlaanderen kan zich gemakkelijk uit Brussel terugtrekken zonder het minste verlies te lijden. België kan verwasemen, wat blijft er over van Brussel? Denk daar eens aan.


Dus wat, wat, wat is die Brusselse autonomie? dat Brusselse derde gewest? Wat is dat in een verder verwijderde toekomst? In dat perspectief, wat is dat nog waard? Dus gun Brussel zijn derde gewest, we kunnen er toch niks meer aan doen.

Maar dat is geen toekomst hoor, voor Brussel. Brussel kan niet op zichzelf bestaan. Ja, dus zal Brussel willen uitbreiden, zal een poging doen, maar nu is het aan de Vlamingen om te zeggen njèt, hé, in geen geval.

Ik zou iets verder nog willen gaan. Ook de toekomst van de Brusselse Vlamingen, ook die, de toekomst van de Brusselse Vlamingen, zit niet in het handhaven van de huidige situatie, maar zit in een zo ver mogelijk doorgedreven Vlaamse autonomie, dus confederalisme, omdat dan de macht van Brussel automatisch vermindert, en Vlaanderen zijn voorwaarden kan opleggen. Laten we zeer optimistisch zijn, en aannemen dat in die omstandigheden Vlaanderen over een ietwat daadkrachtige regering beschikt, hé. Ik ben zeer optimistisch: in dat geval kan Vlaanderen werkelijk, ik zal niet zeggen volledig zijn wil opleggen aan Brussel, dat is ook niet nodig, maar zeker voldoende waarborgen krijgen voor de bescherming van de Brusselse Vlamingen. Veel beter dan nu. De Brusselse Vlamingen krijgen meer mogelijkheid om beschermd te worden, daadwerkelijk beschermd te worden door een Vlaamse regering en een Vlaamse natie die zelfstandig zijn, dan in de huidige situatie, met hun groteske vertegenwoordiging in het parlement, en die toch niks te zeggen hebben.

Laat de Brusselse Vlamingen al hun privileges opgeven, maar, daar gaat het om, laat Vlaanderen zelfstandig zijn, in grote mate van zelfstandigheid, en de Brusselse Vlamingen zijn gered.

De Franstaligen, lees hun kranten alstublieft, ik smeek, Vlamingen: lees Franstalige kranten. Ge zult dan goed merken waar ze naartoe gaan. Ze bereiden alles voor op de scheiding. Ze bereiden zich volledig voor. Weet ge dat er het laatste half jaar, in het Frans, vijf boeken en brochures verschenen zijn, vijf hé, die handelen over dat onderwerp. En die gaan uit hé, van, van mensen met een zekere allure, niet van extremisten, hoegenaamd niet, een Fralon enzovoort, die iets te zeggen hebben.

Dus, ze zijn daar volop mee bezig. Vlaanderen niet. En dat is juist wat nu zeer gevaarlijk aan het worden is. Dat is: de uitgangspunten zijn te verschillend. Vlaanderen is bezig met kleine probleempjes zoals splitsing van een arrondissement en zo, relatief klein probleem, maar de Franstaligen zijn bezig met het grote probleem, de toekomst. Daar zijn die mee bezig.


En dat verschil dreigt ons zuur op te breken. Dat verschil in benadering. Omdat daardoor de Vlamingen geneigd gaan zijn, zaken toe te geven die dan straks, als de serieuze discussie plaatsvindt, als verworven zullen beschouwd worden door de Franstaligen. En in ruil voor wat? Kijk, in het kader van verdergaand confederalisme met vaste grenzen, is Brussel-Halle-Vilvoorde sowieso gesplitst, hé. We moeten daar toch nu niks voor toegeven, begrijpt u? Want dat wordt in ieder geval gesplitst, dat kan niet anders. Ge kunt geen confederalisme hebben als de grenzen niet vastliggen. Dat gaat niet.

Dat kan binnen België, zo’n arrondissement, maar dat kan niet in confederalisme. Dus die splitsing komt er altijd. Dat is onvermijdelijk.
3. Fortis en de 'Fortiscommissie'

[JPR] Laten we dat nu eens toepassen op de interpretatie van een heel actueel gegeven, namelijk de hele kwestie van de schending van de scheiding der machten, naar aanleiding van de verkoop van de Belgische Fortisbank aan het Franse BNP Paribas. Inderdaad een heel leerzame analyse die nu volgt, een hoofdartikel in Journaal waard. Leer hier wat het verband is tussen uw Fortis-filiaal in de straat en uw Carrefour om de hoek. Terwijl ik dit allemaal bedenk gaat Grammens onverstoorbaar door met zijn analyse van de huidige tijd, maar let maar eens op...

[MG] CD&V heeft dan via Van Rompuy het bewind in handen genomen, in de hoop en de verwachting van op die manier te kunnen naar de verkiezingen gaan met indien men al verloren had op het gebied van staatshervorming, met een soort van brevet voor goed beleid. Dat goed beleid is, ik denk dat ze daar nu allemaal wel van bewust zijn, onmogelijk geworden door de houding die werd aangenomen in de Fortis-zaak.

Ten eerste, er is tot hiertoe nog niemand geweest, van al de economen enzovoort die erover geschreven of gesproken hebben, die heeft kunnen aantonen waarom er geen andere keuze meer werd gemaakt voor de oplossing van het Fortis-faillissement dan het overdragen voor een appel en een ei aan Frankrijk. Ik zoek het uit, ik lees er alles over wat ik kan vinden, ik vind nog altijd geen stevig, grondig argument waarom er geen andere keuze werd voorzien, geen andere keuze werd overwogen. Ik vind het niet, dus men moet zich de vraag stellen: 'Wat is daar gebeurd, wat zit daarachter?' Het zou zeer interessant geweest zijn, als de onderzoekscommissie daarover had gehandeld, in plaats van over die scheiding der machten, die tenslotte een zeer marginaal vraagstuk is.

Het is tenslotte evident dat oud-kameraden, schoolkameraden, weet ik veel, elkaar terugzien, elkaar telefoneren, dat is allemaal zo vanzelfsprekend, enfin, ik heb dat toch ook in mijn leven gedaan, wat is dat nu? Je kunt zeggen: 'journalisten moeten niks met politiek te maken hebben'. Dat is waar, je moet erbuiten blijven, je moet voorzichtig zijn, maar dat neemt niet weg dat als ge iemand goed kent en die is in de politiek gegaan, dat ge daar toch een keer kunt mee vriendschappelijk iets mee bespreken omdat ge elkaar kunt vertrouwen en weet dat het niet zal in de openbaarheid komen bijvoorbeeld. Da's een zeer belangrijk aspect, van een ander weet ge niet of die te vertrouwen is maar van vroegere kameraden... ik vind dat allemaal zeer onschuldig hoor, en trouwens ook vanzelfsprekend.
Ik stel me in de plaats van autoriteiten. Als die vinden dat iets moet gebeuren, in dit geval dus, in de Fortis zaak, de overdracht aan een Franse bank, als die vinden dat dat de enige oplossing is, dan is het evident dat zij voor die oplossing steun proberen te zoeken en dat zij niet graag door het gerecht voor de voeten gelopen worden. Dat is allemaal zo vanzelfsprekend, ik maak mij daar niet druk over.

Iets anders is het volgende. Het is wel zo dat heel die geschiedenis in verband met de scheiding der machten, de schending van de scheiding der machten, bij de bevolking meer dan bij de elite zal ik maar zeggen de indruk heeft gewekt van gesjoemel, van achterdeurtjes- en achterkamertjespolitiek waar de meest eigenaardige dingen gebeuren die we allemaal niet mogen weten. En die indruk is wel juist: de grote politieke beslissingen worden niet transparant getroffen, in België nog minder dan op een ander. Het is overal in in de wereld een beetje zo, maar hier speciaal zo. Dat heeft dan met de tweeledigheid, twee volkeren te maken en de verschillen en conflicten die daarmee gepaard gaan.

 
Dus de transparantie van de politiek is zeer mager, zeer... bijna zeldzaam zelfs, met het gevolg dat als de bevolking, de kiezers, met zoiets een keer in aanraking komen, zoals nu gebeurt met die onderzoekscommissie, dat er dus 70 telefoons blijken over en weer gegaan te zijn tussen politiek en rechters, dan zegt men: wat is dat daar allemaal? Dat is een grote dikke brij van... een politieke bende, die met ons geen rekening houdt. Dat is de reactie van de kiezer en in die zin is het wel belangrijk. In die zin is die commissie 'scheiding van de machten' belangrijk geweest.

[MG] De reële vraagstukken zijn daar niet aan bod gekomen, dat mocht trouwens niet, daarvoor zal men geen openbare commissie toestaan, hé, dat is... Wat is daar gebeurd met die overdracht van Fortis aan Frankrijk? Dat klopt aan geen kanten. Dat is een daad van zo slecht bestuur dat men het niet meer begrijpt, zo erg is het. Daar moet achter de schermen van alles gebeurd zijn dat wij niet weten.
Laten we het persoonlijk maken. Moest ik nou lid zijn van een onderzoekscommissie die zich daar mag mee bezig houden, dan zou ik bijvoorbeeld baron Frère opvorderen als getuige, want ik weet met zekerheid dat achter de schermen baron Frère, die zowel in Fortis zat als in BNP Paribas, achter de schermen een grote rol heeft gespeeld, maar goed, daar weten we allemaal niets van, de details kennen we niet.

Het is ook zo goed als vaststaand dat nog voordat de problemen met Fortis zich voordeden, er al gesproken was over overname van Fortis door BNP Paribas. Nog voor de problemen zich voordeden was er al sprake van.
En dan natuurlijk de rol van Reynders in heel deze kwestie, ook de relatie Reynders-Frère enzovoort, dat is wat moet geanalyseerd worden.

Ten tweede, is het waar zoals meer en meer wordt gezegd, in kringen die meetellen laten we zeggen, dat een van de redenen waarom de regering zo gauw mogelijk van Fortis bevrijd wilde zijn, was hun verplichting, zoals ze het zagen, om Dexia te redden en het geld van de vakbonden, van de christelijke vakbeweging? Dat wordt meer en meer aangenomen, vrij algemeen aangenomen als een van de grote oorzaken van het verlappen van Fortis aan Frankrijk.

Ten derde, mag niet uit het oog worden verloren dat Leterme een man is die hoopte van zijn behandeling van de Fortis-kwestie een punt te maken, een soort van, hij was mislukt inzake staatshervorming... maar dat zou hem dan toch lukken. Een politicus mislukt niet graag, geen enkele, zeker iemand met het karakter van Leterme niet. Dus is er ook de bijna vaststaande zekerheid dat van regeringswege, van overheidswege, al het mogelijke is gedaan om, eenmaal dat de beslissing was genomen om Fortis over te dragen naar PNB Paribas de indruk te wekken dat er nooit een alternatief was geweest, terwijl dat er wel was. Dat verdient onderzoek. Want het resultaat van deze hele operatie is ontzettend nadelig niet alleen voor Vlaanderen (voor Vlaanderen in de eerste plaats), maar ook voor België. Zeer nadelig omdat een groot, belangrijk gedeelte van de mogelijke kredietverstrekking in België nu in Parijse handen is, daar wordt in Parijs over beslist. Ge ziet meer en meer verhalen over de mensen van Fortis die hun beklag doen over de enorme arrogantie van franstalige bankiers waar ze hier mee te maken krijgen.

Ik zou zeggen, om toch dat thema niet te besluiten op een al te pessimistische toon, er is wel één positief punt: ik denk dat Fortis de weg op gaat van Carrefour. Ik ben daarvan overtuigd. GB was een relatief goede zaak, is in handen gekomen, tien jaar geleden, van het Franse Carrefour, en zie nu wat ervan geworden is. De baas van Carrefour, gelukkig een Zweed, dus niet zo erg verbonden aan strikt Franse belangen, overweegt zeer ernstig om Carrefour België op te doeken, te verkopen of wat, hé, 'we moeten hier weg want het pakt niet'.


De Fransen zijn niet geslaagd waar de GB wel geslaagd was. Ze hebben de GB gekocht omdat het een geslaagde onderneming was, zij hebben het in handen genomen en nu is het niet meer een geslaagde onderneming. Welnu, ik zou durven voorspellen: dat wordt het lot van Fortis in Franse handen. Juist zoals Carrefour gedaan heeft, gaan ze hier Fransen aan de top van het bedrijf plaatsen. Die Fransen houden met niemand of wat ook rekening, die beschouwen ons allemaal, de Walen ook hoor, ge moet hoor geen verschil maken, die beschouwen ons allemaal als des petits Belges, en dat is zeer misprijzend, negatief bedoeld, zij weten alles beter, en iedereen moet zich aan hen aanpassen, zij aanvaarden geen autonomie.
Het gevolg zal zijn, naar mijn gevoelen, dat in de loop van de komende jaren, dat is niet volgend jaar al hoor, dat in de loop van de volgende jaren Fortis stilletjes aan zijn beste mensen gaat verliezen en zijn beste klanten gaat verliezen, misschien aan KBC, ik weet het niet, of aan anderen, daar gaat het nu niet om, dat het moment gaat komen dat Fortis niet meer interessant is voor de Fransen en dan hoop ik, als het zover is, dat de KBC Vlaams genoeg zal gebleven zijn en kapitaalkrachtig genoeg zal gebleven zijn om de boel over te nemen. En dan krijgen we één grote Vlaamse bank in België.

---------------------------------------------------------------------

Voor de pers is crisis een uitdaging
Mark Grammens
Toespraak bij uitreiking prijs Nova Civitas (Gent, 9 maart)

Ook voor de pers, en voor de media in het algemeen, zouden crisissen uitdagingen moeten zijn, in dit geval, een uitdaging om zich te bezinnen over waar men mee bezig is, waar men misschien vastgelopen is, en hoe men zo nodig een nieuwe start kan nemen. De perscrisis is al enige tijd geleden begonnen, maar werd versterkt door de algemene economische crisis. Van die laatste wordt gebruik gemaakt om maatregelen te nemen die al enige tijd op de agenda stonden maar die men vooruitschoof uit vrees voor het aangaan van de confrontatie met de realiteit.

Op maandag 9 maart 2009 werd mij in Gent de “prijs voor de vrijheid” toegekend door de Vlaamse denktank Nova Civitas, opgericht door prof. Boudewijn Bouckaert en thans onder voorzitterschap van mr. Werner Niemegeers. Na de laudatio door Frans Crols sprak ik het volgende dankwoord uit.

Ook voor de pers, en voor de media in het algemeen, zouden crisissen uitdagingen moeten zijn, in dit geval, een uitdaging om zich te bezinnen over waar men mee bezig is, waar men misschien vastgelopen is, en hoe men zo nodig een nieuwe start kan nemen.

De perscrisis is al enige tijd geleden begonnen, maar werd versterkt door de algemene economische crisis. Van die laatste wordt gebruik gemaakt om maatregelen te nemen die al enige tijd op de agenda stonden, maar die men vooruitschoof uit vrees voor het aangaan van de confrontatie met de realiteit. Zo is er al lang een redactionele overbezetting gegroeid, en had men de crisis nodig als alibi om in het personeelsbestand te snoeien. Ook wist men al lang dat de inkomsten uit reclame in dalende lijn gingen. Bijvoorbeeld omdat adverteerders meer impact verwachten van reclame op radio en televisie dan van reclame in de pers en omdat de doelgroep van de jongeren steeds meer op internet zijn informatie gaat zoeken. Het resultaat van een en ander is dat vele bladen, overal ter wereld, minder ruimte kunnen verkopen aan adverteerders en verplicht zijn hun tarieven te verlagen. Voor de Franse pers beschikken we over een cijfer: in januari van dit jaar lagen de totale advertentie-inkomsten van de pers twintig procent lager dan in januari van vorig jaar (Le Monde, 21.2.09). Rik de Nolf, uitgever van de Roularta-bladen, zegt de achteruitgang van de reclame-inkomsten die we nu kennen, nog nooit te hebben meegemaakt (De Tijd, 20.2.09).

Kranten kampen bovendien - want voorlopig zie ik geen verband met het dalen van de reclame-inkomsten - met een dalende oplage. Vorig jaar zijn er per dag gemiddeld 7.000 Vlaamse kranten minder verkocht dan het jaar daarvoor (De Standaard, 7.2.09). In Nederland is dit nog veel erger. De Telegraaf verloor 5 procent, het Algemeen Dagblad 10 procent, en behoudens het Financieele Dagblad zowat alle andere bladen tussen 5 en 10 procent van hun lezers. Interessant om weten is dat de kleinere bladen het beste stand hielden (De Volkskrant, 30.12.08.) De Volkskrant is in tien jaar tijd 25 procent van zijn lezers kwijtgeraakt, en stelt zelf vast dat er een generatie is opgegroeid voor wie de krant iets is uit de verleden tijd. Men werkt daar nu aan een speciaal jongerenkatern, al vrees ik dat dit niet de juiste oplossing is. De Volkskrant erkent immers zelf dat gespecialiseerde bladen het nog altijd goed doen, maar trekt daar geen conclusies uit, en schijnt alle heil te verwachten van een verjonging van het aanbod.

Tezamen met de daling van de oplagecijfers van de kranten neemt de kritiek op de journalistiek toe. En die komt niet alleen van ontevreden lezers, hoe terecht die ook mag zijn, maar eveneens van uitgevers, die zich zorgen maken over de leefbaarheid van hun kranten op langere termijn. In eerste instantie wordt dan gedacht aan bezuinigingen, maar voorts ook aan weeral de zoveelste vernieuwing en aan verjonging. Een voorbeeld hiervan biedt in ons land De Morgen, waar een pak banen op de redactie sneuvelen, terwijl men weet dat de uitgever werkt aan een plan om door nieuwe aanwervingen een jongere, vinniger en minder in politieke correctheid vastgelopen redactie aan te stellen.

Schuldige onwetendheid


In die verjonging geloof ik niet. Dirk Tieleman van de VRT zei onlangs, terecht dunkt me, dat “de onwetendheid bij jonge journalisten verschrikkelijk groot is” (Dag Allemaal, 12.7.05). Zijn collega Walter Zinzen was het daar roerend mee eens en zei over de verjonging: “Dat is toch verschrikkelijk stom,” aldus Zinzen, want “het aantal ouderen wordt almaar groter en palmt dus steeds belangrijker delen van de markt in. Die lezers zijn niet gediend met jonge, onervaren blaadjes die denken dat televisie of pers zijn uitgevonden op de dag dat zij ervoor zijn gaan werken”. Zinzen heeft gelijk. Wie zelf al wat ouder is, merkt dat voortdurend. Overlijdt een voornaam historicus als Albert de Jonghe, de auteur van het standaardwerk over de houding van Hitler tegenover de bezetting en de toekomst van België tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan is er geen enkele redactie die De Jonghe herdenkt in een informatief artikel, want vermoedelijk is er geen die bij benadering weet over wie het gaat en welke betekenis deze historicus heeft gehad, maar één beschikte blijkbaar wel over het telefoonnummer van een ander historicus, die vervolgens zijn persoonlijke mening gaf over De Jonghe, interessant, maar een opiniestuk, geen ook maar enigszins objectief duidend krantenartikel. Zoiets kan men zich in onze buurlanden niet voorstellen. Het klinkt misschien een beetje macaber - en ik bied u daar mijn excuus voor aan - maar op mijn leeftijd gekomen, heb ik mij ook al wel eens afgevraagd wat de media met mijn overlijden zullen doen, als de dag der dagen zal zijn gekomen, en dan ... laten we zeggen dat ik de onwetende jongere lezers beklaag die daarover geïnformeerd zullen worden door even onwetende jongere redacteuren.

Het is een schuldige en tenminste ten dele opzettelijke onwetendheid van een generatie die een aantal zaken niet wil geweten hebben en ze derhalve foutief aan haar lezers doorgeeft. Ik dacht daar dezer dagen nog aan toen ik de artikelen las die her en der verschenen zijn naar aanleiding van het overlijden van Jaap Kruithof, met wie ik in de jaren zestig, toen hij columns schreef voor De Nieuwe, tamelijk goed bevriend ben geweest. Niemand van al degenen die hem memoreerden, vertelt dat Kruithof een overtuigd Vlaams-nationalist was, die zelfs nog een actieve rol heeft gespeeld in het Vlaamse verzet tegen het Egmont-pakt van 1977. Pas na de doorbraak van het Vlaams Blok een aantal jaren later is hij, onder invloed van zijn toenmalige vriendenkring, wat genuanceerder gaan denken. Alleen in een lezersbrief in De Standaard werd de verkeerde informatie rechtgezet en werd herinnerd aan de Vlaams-nationale geloofsbelijdenissen die Kruithof in overigens meer dan één interview had afgelegd. Iets soortgelijks heeft zich voorgedaan met Hugo Claus. Ook Claus was in de jaren zestig, toen ik hem persoonlijk kende, een overtuigd Vlaams-nationalist, maar niemand die de stapels papier die bij zijn overlijden aan Claus werden gewijd, heeft gelezen, kon daar zelfs maar een vermoeden van hebben. Het kliekje dat hem in zijn laatste jaren omringde en het monopolie bezat op zijn in memoriam, heeft zijn nagedachtenis exclusief geplaatst in het teken van het eigen ideologisch gelijk, met miskenning van de volledige mens in zijn vele aspecten. Dan denk ik soms: wie, in de hedendaagse journalistiek, zal nog in staat zijn om zijn lezers bijvoorbeeld het veranderingsproces dat Vlaanderen kende in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw, uit te leggen, en de plaats te schetsen die daarin werd ingenomen door het weekblad De Nieuwe, door mij opgericht in 1964 en opgegeven in 1980, toen het zijn rol had vervuld?

Dit is een Vlaams verschijnsel, hoor, want kijk maar eens naar Nederland, Frankrijk, Duitsland, Engeland, allemaal landen waar tenminste toch de kwaliteitspers met opzet oudere, gepensioneerde redacteuren deeltijds, op freelance basis, in dienst houdt om van hun ervaring te kunnen profiteren als dit nodig is. Op die manier behoudt de krant of de zender een “geheugen”, zodat de oudere lezers berichtgeving ontvangen die hen speciaal interesseert omdat ze herkenbaar is voor hen, en jongere lezers deskundig voorgelicht worden over wat er zich in het verleden heeft afgespeeld en wat sommige mensen daarin te betekenen hebben gehad. Slechts twee voorbeelden: als Le Monde iets wil memoreren, zoals de zestigste verjaardag van de NATO, dan doet de krant een beroep op haar oud-hoofdredacteur André Fontaine, in de tachtig, die het als jong, aankomend redacteur buitenland nog heeft meegemaakt. En in NRC-Handelsblad publiceert oud-hoofdredacteur J.L. Heldring wekelijks een column die zowat de meest gelezen rubriek in haar soort is in de hele Nederlandstalige pers, - Heldring is negentig. Dat kennen wij in Vlaanderen niet, integendeel: leeftijdsgrens betekent buiten, weg, en durf nooit meer terug te komen.

De veel gehuldigde vernieuwing staat dus niet noodzakelijk voor verbetering, en bezuinigingen op redactiepersoneel, zoals die zich thans overal voordoen, ook in het buitenland, hebben geen gevolgen voor de leefbaarheid van de krant, want de meeste redacties zijn - ik zei het al - overbemand. Als ik lees dat er vijftig jobs op de helling staan bij Le Soir, verwacht ik dan dat Le Soir slechter zal worden? Nee hoor! Ik juich dat toe, en betreur alleen dat het er geen honderd zijn, want dan zou deze moniteur belge van de anti-Vlaamse haat, die meer dan welk ander blad ook medeverantwoordelijk is voor het verpesten van de sfeer tussen de gemeenschappen, zodat evenwichtige oplossingen voor het al dan niet verder samenleven van de volkeren in België onmogelijk worden gemaakt, - welnu dus, als er honderd mensen op de redactie zouden verdwijnen, zou er zoveel procent minder haatproza verschijnen en zou de wereld er beter uitzien.

Mateloze zelfoverschatting

 
Het discours van vele journalisten, die zich onmisbaar wanen, grenst aan mateloze hoogmoed en zelfoverschatting. Wilt u eens een staaltje van die zelfoverschatting krijgen, dat nooit gesignaleerd werd in een Vlaamse krant? Het is dit. Op 18 maart 2006 publiceerde Yves Desmet, politiek toonaangevend commentator van De Morgen, een opiniestuk in Le Soir. Om aan dit Franstalige publiek duidelijk te maken hoe erg het met Vlaanderen - dat land vol fascisten, negationisten en andere mestkevers - gesteld was, schreef Desmet het volgende: “Misschien zal De Morgen in Vlaanderen het lot kennen van de Münchener Post, het laatste Duitse dagblad dat zich verzette tegen de nazi’s voordat het verboden werd, en waarvan de journalisten de eersten waren om naar de concentratiekampen te worden afgevoerd”. Wilt u zich deze parel van de Vlaamse journalistiek letterlijk in het geheugen prenten? Dit is het: “Peut-être De Morgen sera-t-il, en Flandre, le Münchener Post, dernier quotidien allemand à s’être opposé aux nazis et dont les journalistes furent les premiers à être déportés dans les camps”. Open dus maar gauw het kamp van Breendonk nr. 3 (nr. 1 was tijdens de bezetting, nr. 2 tijdens de repressie) voor de redactie van De Morgen! Is Desmet gek? Ik vrees van niet, en dat is dus het probleem.

Er zijn teveel journalisten, en zowat allemaal zijn ze verstoken van enige zelfrelativering. Als verzachtende omstandigheid kunnen ze inroepen dat de maatschappelijke omgeving waarin ze werken, niet tot zelfkritiek aanzet. Waar is de tijd dat politici, als ze dat nodig vonden, journalisten de rug toekeerden en weigerden met hen te praten? Wie op de zwarte lijst stond van mensen als Theo Lefèvre, Gaston Eyskens, zelfs nog enigszins Leo Tindemans en Wilfried Martens, kwam in de problemen. In Nederland liet Hans Wiegel ooit tijdens een televisieprogramma een lege stoel achter nadat een reporter hem onbeleefd had toegesproken. Waarom doen politici dat niet meer? Het is onwaarschijnlijk hoe ze zich door sommige media laten schofferen en beledigen. Natuurlijk gaan journalisten dan denken dat ze zich alles mogen permitteren, of dat ze belangrijk genoeg zijn om ooit de eer van de politieke gevangenschap te zullen kennen. Zo komt het ook dat ze denken onmisbaar te zijn, en dat een zekere Bianca Rootsaert, die in Nederland secretaris is van de Vereniging van Journalisten, naar aanleiding van de bezuinigingen die doorgevoerd worden in de pers aldaar, zegt dat “elke journalist die moet vertrekken een nieuwsbron minder” is (De Standaard, 21.2.09). Wat een zelfoverschatting, want kijk nu toch eens aan: stel dat de zaterdagse magazinebijlage van Le Monde verdwijnt - en ik gebruik met opzet een buitenlands voorbeeld, zodat het niet te persoonlijk klinkt -, dan moeten zeker tien of twaalf redactieleden opstappen, maar is dat zo erg? Ik ben al een halve eeuw lezer van Le Monde, maar nooit heb ik in de zaterdagse magazinebijlage buiten de titels één woord gelezen. De nieuwswaarde ervan is nul. En pas dit voorbeeld nu maar toe op al die van informatiestandpunt uit gezien nutteloze katernen in de Vlaamse en de Nederlandse pers. Dat is alleen maar bedrukt papier om reclame aan te trekken, of wat dacht u? Ik heb ze allemaal weten ontstaan, de bijlagen reizen, de bijlagen bouwen en wonen, enzovoort, welnu, allemaal danken ze hun ontstaan aan de reclameacquisiteurs van de krant. Bij de advertenties moest tekst worden geplaatst, vandaar ... Maar als die bijlagen wegvallen door gebrek aan reclame, dan is dat toch niet erg? Ik betreur elk jobverlies, maar met journalistiek hebben die bijlagen toch niets van doen? En om het nog wat meer te relativeren: wist u dat tachtig procent van het informatiemateriaal dat in een doorsnee-krant wordt gebruikt, afkomstig is van één nieuwsagentschap?

Geen kwaliteitskranten


Op dit punt gekomen, wil ik u duidelijk maken dat, in tegenstelling tot wat sommige redacties zelf zeggen, Vlaanderen en ook België geen kwaliteitskranten bezit. Vergelijk de in de wereld bestaande en algemeen als dusdanig erkende kwaliteitskranten met onze pers, en dan merkt u het verschil wel. Er bestaat in de wereld geen kwaliteitskrant die geleid wordt door een manager, zoals De Standaard, en geen die aan etnische haatzaaierij doet, zoals Le Soir, of waarvan de hoofdredacteur droomt van een verblijf in het concentratiekamp, zoals De Morgen. Is dàt kwaliteit? Overigens moet u maar eens een buitenlandse vriend die journalist is of iets van pers kent, een exemplaar van De Standaard voorleggen, en dan zeggen dat dit pamflet bij ons doorgaat voor een kwaliteitskrant. Hij zal ongelovig opkijken en u zeggen dat dit niet kan, want geen kwaliteitskrant ter wereld pakt uit met een sensationele en bekrompen provincialistische voorpagina als die van De Standaard.

Maar er is meer. Inhoudelijk is het voornaamste kenmerk van een kwaliteitskrant dat zij zeer nauwkeurig en consequent informatie en commentaar gescheiden houdt. Dat gebeurt noch bij De Morgen noch bij De Standaard. De Morgen komt er openhartig voor uit dat zij over één bepaalde partij alleen in negatieve zin schrijft, en elke niet-negatieve informatie over of uitgaande van die partij - haar standpunten dus, haar tussenkomsten in het parlement, enz. - bewust doodzwijgt. Vertel dat eens aan een redacteur van - ik zeg maar iets - The Guardian, de Frankfurter Allgemeine, en noem maar op, en die zal u - opnieuw - ongelovig aanstaren: een kwaliteitskrant die niet haar uiterste best doet om politieke informatie zo objectief mogelijk te brengen, bestaat alleen in Vlaanderen.

Maar er is nog meer. Een kenmerk van een kwaliteitskrant is dat haar hoofdaandacht uitgaat naar wat er in de wereld gebeurt, en slechts uitzonderlijk (bijvoorbeeld bij rampen of verkiezingen) een voorpaginatitel wijdt aan gebeurtenissen in eigen land. Ook volgens deze norm voldoet in België geen enkel dagblad aan de internationale criteria voor een kwaliteitskrant.

Het was ooit anders


En nochtans, het kàn anders. Wat men systematisch nalaat te vertellen aan jongeren, ook aan jongere journalisten, is dat het ook bij ons ooit anders is geweest. Mag ik ten bewijze hiervan de herinnering oproepen aan de jaren vijftig, onlangs door Kees van Kooten (in NRC-Handelsblad, 21.2.09) beschreven als “een tijd waarin het leven nog overzichtelijk was en mensen wellevend en welbespraakt waren”? In die tijd dus had een blad als De Standaard een redactiedirecteur die tevens chef-redacteur buitenland (en dus niet binnenland) was, en die zorgde voor één groot hoofdartikel buitenland links op de voorpagina elke maandag, plus op pagina drie dagelijks een kolom commentaarbuitenland door een van de redacteuren van de krant. Dagelijks! Kunt u zich dat vandaag nog voorstellen? En hetzelfde gold voor andere bladen. Zelfs een zeer populaire tabloid als Volksgazet had een dagelijks commentaarbuitenland op een binnenpagina en zeer vaak ging de hoofdaandacht van de voorpagina uit naar buitenlandse berichtgeving. De commentarenbuitenland verschenen anoniem maar men wist dat ze geschreven waren door de socialistische senator Rombauts, die in de Senaat niet vaak aan het woord kwam maar van zijn zitje gebruik maakte om zich uitstekend te informeren over internationale politiek. In De Nieuwe Gids bracht Leo Tindemans, die toen nog geen minister was geweest en aanvankelijk ook geen parlementslid was, een zeer lezenswaardige bijdrage over internationale zaken. Hetzelfde deden de politieke hoofdredacteuren die zowel over binnen- als over buitenlandse zaken schreven, zoals Louis Kiebooms in Gazet van Antwerpen, Karel van Cauwelaert in Het Volk, Hubert Leynen in Belang van Limburg. Zelfs het weekblad van de Christelijke Arbeidersbeweging, De Volksmacht, - thans Visie geworden -, dat naar alle leden van de zuil werd gestuurd en daardoor na het parochieblad, later Kerk en Leven genoemd, de hoogste oplage van alle Vlaamse periodieke publicaties bezat, - welnu dus, zelfs De Volksmacht bracht tenminste om de veertien dagen een commentaarbuitenland, gedegen en hoegenaamd niet vulgariserend; ik kan het weten want toevallig was ik gedurende jaren de auteur van deze stukken.

Dat was Vlaanderen anno - laten we zeggen - 1958 of daaromtrent. In België was het niet anders. La Libre Belgique had elke dag op de voorpagina een groot stuk over internationale politiek, wekelijks een van de hand van senaatsvoorzitter Paul Struye, en de andere dagen in hoofdzaak van hun eigen correspondenten - jawel, eigen correspondenten: hun uitstekende correspondent in Londen, Robert Lacoste, was een goede vriend in de tijd toen ik daar verbleef, een man die vanuit Londen de internationale politiek bestudeerde en beschreef. Le Soir had ook een eigen correspondent in Londen, die ook voorpagina-artikelen leverde voor dat blad, precies zoals mijn Nederlandse collega’s in Londen dat deden: ook zij kregen de voorpagina voor hun berichtgeving. En ja, ikzelf genoot als correspondent van Het Volk in Londen die zelfde eer: heel vaak stond mijn Londens commentaar op de plaats van het hoofdartikel als Karel van Cauwelaert, die met Schildwacht ondertekende, afwezig was of geen tijd had, want hij was ook senator en een tijdlang zelfs fractievoorzitter.

Nog wat herinneringen

 
Wat blijft daar vandaag van over? Het buitenland, de wereld, is voor ons nooit zo belangrijk geweest als in deze tijd, maar wat doet onze pers daarmee? Hoeveel jonge Vlaamse journalisten krijgen de kans om hun vak te leren door enkele jaren voor rekening van hun krant in het buitenland als correspondent te mogen werken? Is er één enkele? Ik vrees van niet, al heeft de VRT wel een vast iemand in Amerika zitten. Staat u mij dan toe over achteruitgang van onze pers te spreken, een regressie. Mag ik zeggen dat Vlaanderen en België er vijftig jaar geleden wat betreft openheid voor de wereld beter voorstonden dan vandaag? Zoals trouwens Vlaanderen er ook in politiek opzicht al beter voorstond in 1939 dan vandaag, want naar algemeen getuigenis van betrokkenen lag toen met instemming en aanmoediging van Leopold III de weg open voor een leefbaar federalisme van een andere allure dan het knoeiwerk dat de generatie Tindemans-Martens heeft geleverd. Vlaanderen had de oorlog en de collaboratie niet nodig om zichzelf te worden, maar het werd wel door de naoorlogse repressie, die in politiek opzicht anti-Vlaams was, uitgeschakeld en van zijn beste krachten beroofd. Soms heb ik de indruk dat we hiervan nog steeds niet bekomen zijn.

Om nog wat herinneringen op te halen. Weet u dat in 1944-45 Hubert Beuve-Méry Le Monde heeft opgericht met twaalf medewerkers? En dat die krant haar reputatie van kwaliteitskrant en internationaal referentiepunt heeft gevestigd in de late jaren veertig en begin jaren vijftig, toen de redactie nog steeds niet meer dan een dertigtal personen telde? U ziet dus: degenen die zeggen dat je geen volwaardige krant kunt maken met minder dan een paar honderd mensen, hebben natuurlijk het recht dat te zeggen om hun job veilig te stellen, maar de waarheid is het niet. Toen ik in die tijd, vooral in het jaar 1960 toen de Kongolese onafhankelijkheid wereldnieuws was, meewerkte aan The Guardian - toen nog The Manchester Guardian geheten -, zat die hele politieke en diplomatieke redactie in een oud krakkemikkig gebouw in Fleet Street, een echte krocht, met een smalle houten, krakende trap naar boven, zonder leuning en met beneden de vermaarde notitie dat wie wat gedronken had, er goed aan deed geen gebruik te maken van de trap, want de uitgeverij wees alle verantwoordelijkheid voor mogelijke ongevallen af. En dan klagen ze hier als ze naar een modern pand in Groot-Bijgaarden moeten verhuizen. Op het kantoor van de redactie buitenland struikelde je over mensen, kranten, encyclopedieën, kopjes thee en de grootste rommel die je je kunt voorstellen. Maar wat een leven! Wat een arbeidsvreugde! Wat een plezier daar gemaakt werd. En wat een goede krant er werd gemaakt, - ook dat, ja.

Daar zaten heren (en een paar dames) die belezen waren, die smaak hadden en ondanks of dank zij hun overvloedig tavernebezoek werk van kwaliteit leverden.

Wat is kwaliteit?


Nogmaals dus is dat woord gevallen dat hier al een paar keren werd gebruikt: kwaliteit, en ik liet al verstaan dat het iets te maken heeft met de persoonlijkheid en de waarde van de makers van de krant. Ik heb ooit, aan het einde van mijn studententijd, enkele dagen doorgebracht - als een soort stagiair, zeg maar, maar toen heette dat niet zo - op de redactie van Le Monde. Wat mij opviel en wat ik nooit vergeten ben - maar ik heb wel de indruk dat tegenwoordig nogal wat medewerkers van Le Monde niet meer aan de toen gangbare eisen voldoen -, wat mij opviel was de autoriteit, de karaktervastheid en de discipline van de equipe die aangeworven en gevormd was door Beuve-Méry, een diep gelovig protestant die zich na zijn pensionering ingezet heeft voor de oecumenische abdij van Taizé waar hij een deel van het jaar verbleef. De rechtschapenheid van de voornaamste redacteuren sloot een hartelijke en oprechte camaraderie niet uit, integendeel, maar het was heel normaal om er lange gesprekken te voeren over de jongste titels in de wereldliteratuur of om in hoogstaand intellectueel overleg de gebeurtenissen van de dag te bekijken. De informatie, die van alle kanten op ons afkomt, werd deskundig gefilterd en klaargemaakt om de lezer de best mogelijke voorlichting te verschaffen. Onder Beuve-Méry was Le Monde toonaangevend geworden omdat er een onmiskenbare rigoristische protestantse geur omheen hing. Streng in de commentaren, betrekkelijk sober in de berichtgeving - niets overbodigs, - en redelijk afstandelijk van de waan van de dag. Maar dat was een blad dat uitkwam op acht, soms tien, uitzonderlijk op twaalf pagina’s, zoals bij ons toen De Standaard ook maar twaalf en soms zestien pagina’s telde. Van bijlagen had men nog nooit gehoord. Sport? Ja, Beuve-Méry had daarvoor een schrijver in dienst genomen, ik bedoel een auteur van romans en verhalen, en die maakte prachtige verslagen, heel korte kolommetjes. Toen hij de Ronde van Frankrijk volgde, gebeurde het dat hij zo goed aan het schrijven was, dat hij vergat de naam van de winnaar van de koers van de dag te vermelden. Let wel: Le Monde had toen één sportredacteur, en nog enkele losse medewerkers voor elitesporte

Bijlage



(24 Kb)






Terug naar de artikelenlijst.