Gezondheidszorg en gezinsbeleid: niets meer voor België
Jan Van de Casteele 15-05-2008
|
Tijdens het WE. van 26-27 april was er op Kanaal-Z (TV) een interview met Roger Dillemans (ex-rector van de KUL en specialist in sociaal-zekerheidsrecht). Daarin zegde hij dat kinderbijslag niet thuis hoort in de sociale zekerheid (federale bevoegdheid) maar wel in het gezinsbeleid (bevoegdheid van de deelstaten). In de beperkte tijd van zo'n interview, had hij niet de gelegenheid daar op in te gaan en zijn uitspraak te funderen en dat was wel spijtig want bepaalde stellingen poneren is niet voldoende, het moet ook nog met goede argumenten onderbouwd worden. Hier een poging om in deze materie wat inzicht bij te brengen.
Vooreerst de stelling: kinderbijslag hoort niet thuis in de sociale zekerheid. Ik zou deze uitspraak willen nuanceren: kinderbijslag hoort NU niet meer thuis in de sociale zekerheid.
Om dit te kunnen begrijpen moet men toch wel wat afweten van de sociale geschiedenis van België: voor en na de 1° wereldoorlog waren er grote werkgevers (of kleinere in beroepsfederaties) die zich bewust waren dat werknemers met grote gezinnen niet meer de touwtjes aan mekaar konden knopen. Om aan dit probeem tegemoet te komen hebben ze 'kassen' opgericht (de voorlopers van onze huidige kinderbijslagfonden), waarvan de werking gebaseerd was op een eenvoudig solidariteitsprinciepe: de werkgever stortte een bepaald bedrag in het fonds dat evenredig was aan het loon van de arbeider. Langs de kant van de uitkeringen kregen de arbeiders een bepaald bedrag evenredig aan het aantal kinderen in zijn gezin. Praktisch: de bijdrage in functie van de hoogte van het loon, de uitkering in functie van het aantal kinderen. Deze sociale maatregel was werkelijk 'herverdelend' en aangepast aan de noden van die tijd. De meeste arbeiders werkten hun leven lang voor één werkgever, de gezinnen waren groot of klein afhankelijk van het spel van de natuur. Bovendien was de gezinssituatie in die tijd een redelijk stabiel gegeven. In 1930 werd deze werkwijze veralgemeend en in een wet opgenomen.
Gewijzigd
Vandaag is de situatie wel grondig gewijzigd: de tijd dat een werknemer zijn ganse loopbaan bij dezelfde werkgever blijft is klein. Jonge gezinnen plannen wanneer en hoeveel kinderen ze wel willen. Het is geen kansspel meer, ze hebben het zelf in de hand. Waar is het risico dan nog? Hoogtijd om de huidige, achterhaalde structuren eens onder de loupe te nemen.
We moeten ons eens goed bezinnen wat sociale zekerheid wel is. Zoals Roger Dillemans het zegde in het interview: alle risico's die verbonden zijn met arbeid, zoals arbeidsongeschiktheid, werkeloosheid, pensioenen. Gezondheidszorgen en gezinsbeleid (en dus ook kinderbijslag) zijn omstandigheden die los staan van de arbeidssituatie en moeten op een ander niveau gesitueerd worden. Dus: sociale zekerheid op federaal niveau, gezinsbeleid en gezondheidszorgen op niveau van de deelstaat, dicht bij de mensen waarvoor ze bedoeld zijn.
Hoe?
Hoe nu de kinderbijslagregeling hervormen? Vooreerst moet de band met de arbeiderssituatie losgelaten worden. Uitgaan van het principe: er is een kind, dus er is een recht. Dit zou de huidige structuren op slag enorm vereenvoudigen. Gedaan met die nodeloze onderzoeken wie het recht op kinderbijslag wel doet ontstaan (Via welke werkgever? Via de vader? Via de moeder? Via een bijzit? Heeft een zelfstandige ouder voorrang op een inwonende werknemer?) Allemaal vragen die nu nodig zijn om de bevoegdheid - en dus welk stelsel moet betalen- vast te leggen. Het kan veel eenvoudiger én goedkoper als men uitgaat van de stelling en vraag 'er is een kind, wie voedt het kind dan op?'. Tegelijk is het probleem van de ongelijkheid van kinderen van een zelfstandige en kinderen van een loontrekkende van de baan.
Het is duidelijk dat de financiering dan anders moet georganiseerd worden: langs de kant van de inning niet meer via de RSZ (als last op arbeid), maar wel via algemene middelen (lees belastingen). Langs de kant van de uitkeringen niet meer via de huidige verouderde fondsenstructuur, maar via bvb. de gemeenten (elke gemeente moet dan een specifieke dienst daarvoor inrichten). De last op arbeid zou gevoelig verlaagd worden, wat werkgeversorganisties toch zou moeten interesseren. De wetgeving en de daarbij horende verdelingsstructuur zou vereenvoudigd, transparanter en goedkoper worden.
De opwerping dat dit fiscaal niet haalbaar is zal zeker naar voren geschoven worden; dat men dan maar eens kijkt hoe onze naburige landen dit dan doen. De huidige werkgeversorganisaties blijken deze reorganisatie niet genegen te zijn. Niet verwonderlijk vermits de hele fondsenstructuur nu in hun handen is en niemand een verworven eigenbelang vrijwillig uit handen geeft. In het huidige politieke klimaat, waarin bevoegdheidspakketten ter discussie staan mogen we toch van organisaties die zich uitdrukkelijk als 'vlaams' opstellen (VOKA), een bereidheid verwachten zich open te stellen om hierover een grondige discussie aan te gaan.
Leo Lodewyckx
Terug naar de artikelenlijst.
