N-VA: openaar aanklager of advocaat pro deo?

Peter De Roover 18-10-2007

Je zult als N-VA-voorzitter de maandagochtendkoffie maar opslurpen met volgende voorpaginakop in De Standaard voor de neus: “N-VA bereid tot communautaire toegevingen”. Er werd maandag veel N-VA-koffie gemorst aan die ontbijttafel. En niet alleen in huize De Wever. Heeft De Wever de bocht genomen?
 
Neen, communiceert de N-Va-voorzitter: “ik werd verkeerd begrepen.” Voila, het antwoord is gegeven. Wie zin heeft, kan zich verder vermaken met intentieprocessen, maar die hebben doorgaans een vroege vervaldatum.
 
Wie de regeringsonderhandeling ziet als een intellectueel spelletje, kan De Wever volgen. Als hij tegen 2009 kan zorgen voor een stevige staatshervorming, gaan alle handen op elkaar. Als De Wever BHV kan splitsen mits wat ongevaarlijk snoepgoed uit te delen, volgt applaus op alle banken.
 
Wat De Wever vandaag voor de voeten wordt gesmeten, zal niet aangerekend worden als het resultaat tegemoet komt aan de verwachtingen. Het enige oordeel dat telt, is het eindoordeel.
 
Maar Verhofstadt bouwde zijn loopbaan op het begrip perceptie. Die zit niet meer goed. Wekenlang leken de Vlaamse partijen hun beloften aan de kiezer (door sommigen bij wie het geloof in de kern van de democratie niet overdreven groot blijkt, ‘retoriek’ genoemd) deze keer wel ernstig te nemen.
 
Maar de indruk bestaat dat CD&V-top na het Van Rompuy-intermezzo kiest voor de Belgische raison d’état. Leterme wordt formateur vooraleer er sprake is van enige communautaire dooi en dus chanteerbaar als hij voor alles premier wil worden. De spooknota van Milquet is weliswaar geen akkoord, maar staat mijlenver van wat in Vlaanderen als strikt minimum aanvaardbaar is. Wat betekent die suiker van De Wever? Welke garanties kunnen er zijn voor de gefaseerde staatshervorming? Wat moet verwacht worden van een comité van wijzen dat ons land naar de gerontocratie voert?
 
Intentieproces, akkoord. We laten ons graag door de feiten tegenspreken. De vragen verliezen nu wel snel hun academische karakter. Het uur van de waarheid komt dichterbij.
Om dan te oordelen of de N-VA op het eind van de rit bochten neemt, moeten we het begrip ‘bocht’ bepalen.
 
De N-VA kiezer (en de potentiële N-VA kiezer) lijkt op drie punten bovengemiddeld te scoren. Hij/zij is Vlaamsgezind (maar verkiest politieke invloed boven machteloze zuiverheid); heeft bovengemiddelde politieke interesse (het gaat over bewuste consumenten op de politieke markt, die waar willen voor hun geld - lees stem) en hecht belang aan kwaliteit in de politiek (hij/zij zet o.m. heel hoog in op de geloofwaardigheid). Dat is de USP (Unique Selling Proposition) waarmee de N-VA kiezers heeft gelokt.
 
In het communautaire luik van de regeringsonderhandelingen komen die drie lijnen samen.
De N-VA MOET niet in de regering, want is geen traditionele machtspartij. De kiezer beoordeelt de N-VA niet in de eerste plaats op de vraag of de partij mee regeert. Zonder de inspanningen van Bourgeois te willen minimaliseren, zal de impact van zijn beleid op het verkiezingsresultaat van de N-VA in 2009 eerder klein zijn.
 
De Wever heeft ook niet het imago van de wijze en grijze bestuurder (genre Kris Peeters), maar dat van een intellectueel woelwater en onderlegd provocateur.
 
De cruciale vraag luidt dus niet “is de N-VA in de regering geraakt?”, maar “wat zit in het regeerakkoord dat er zonder N-VA niet had ingezeten?”.
Wat moet als N-VA-bochtenwerk gekwalificeerd worden?
  • Iets anders dan zuivere splitsing van BHV, zonder toegevingen en van bij de start;
  • Stappen die België versterken en de territorialiteit verzwakken (federale kieskring, samenvallende verkiezingen, nieuwe faciliteiten, paritaire senaat, herfederalisering van bevoegdheden, uitbreiding van Brussel);
  • Een magere staatshervorming die geen fundamentele stappen naar meer autonomie voor de deelgebieden voorziet;
  • Onduidelijke beloften dat het er ooit wel van zal komen.
 
Want de politieke geïnteresseerde kiezer kan dan alleen besluiten dat dit niet alleen vanuit Vlaams oogpunt nefast is, maar tevens een formele inbreuk vormt op het verkiezingsprogramma van het Vlaams Kartel. Het zou onverteerbaar zijn als het resultaat van een verkiezing voor meer Vlaanderen een regering oplevert die meer België geeft. Zo’n bocht is te scherp en werpt de N-VA-wagen in de gracht. Dan is de partij haar USP definitief kwijt.
 
Indien er geen regering kan gevormd worden met een programma dat vanuit Vlaams en democratisch oogpunt boven de fatsoensgrens uitstijgt, wordt de verantwoordelijkheid van de N-VA alleen maar groter. Zij moet dan beslissen of de partij in Vlaanderen voor een alternatief durft zorgen, dan wel of dat alternatief in handen komt van andere partijen. De nederlaag wordt dan niet alleen in de regering geleden, maar ook in de ideeënstrijd in Vlaanderen.
 
De N-VA kiest in dat geval voor de rol van dé Vlaamse oppositie tegen een regering van Vlaams- én kiezers (dus democratisch) bedrog of die van een trieste noot in de geschiedenis, die bewijst dat Vlaams-nationalisten niet kunnen omgaan met macht (Volksunie bis, terwijl het de ambitie was om de betere Volksunie te worden).
 
Wordt de N-VA dan de openbare aanklager tegen de bijna wiskundig bewezen Vlaamse onmacht binnen België of de advocaat pro deo daarvan?
 
Want er is een day after. En die is belangrijker dan een Belgische regering. De Wever draagt een grote verantwoordelijkheid. Blijven het democratisch fatsoen en de politieke geloofwaardigheid overeind of niet? Dat is de lat waaraan de N-VA zal worden afgemeten door de kiezer.
 
 
 


Terug naar de artikelenlijst.