Over Peeters en De Gucht, Reynebeau en De Roover
Jan Van de Casteele 18-05-2008
|
In De Zevende Dag hebben Vlaams minister-president Kris Peeters en VVB-erevoorzitter Peter De Roover zich sterker getoond dan federaal minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht en Marc Reynebeau. Laatstgenoemden schoten met plastic kogeltjes… maar dan wel in eigen voet.
Het was voorspelbaar, de nogal lachwekkende passage van afgevaardigden van een in onbekendheid uitblinkend onderdeel van de Raad van Europa zou worden gevolgd door een pro Belgica offensiefje: ons imago in het buitenland naar de vaantjes! En – kijk, Europa en de wereld zeggen het nu ook! - wat zijn wij Vlamingen toch bekrompen bezig. Racistisch zelfs.
De Gucht kwam in De Zevende Dag wat gas terugnemen na zijn overtrokken tussenkomsten in de week, waar hij zich als meneerke moeial uitsprak tegen de inspanningen die de Vlaamse regering wil doen om het door de Franstaligen besmeurde imago van Vlaanderen in het buitenland wat bij te sturen ('Vlaams voorlichtingsambtenaar geen goed idee').
De Gucht jammerde in treurnis wat over ons denken in ‘vaste categorieën’, in ‘schema’s’. En verdedigde zijn federale diplomaten die er blijkbaar niet in (willen) slagen om het Vlaamse standpunt internationaal te vertolken met de stelling dat ‘we het maar zullen kunnen uitleggen als er ‘een consensus’ zou zijn over het probleem'. Hij heeft gelijk, die consensus was er niet, is er niet en zal er binnen de in staat van ontbinding verkerende Belgische constructie nooit meer zijn. Alleen jammer dat hij als Vlaams verkozene almaar meer een objectieve bondgenoot wordt van de overkant, met zijn stelling dat wij Vlamingen ons moeten aanpassen aan de gasten in Vlaanderen (hij had het over ‘Franstalige en multiculturele elementen’) en niet omgekeerd. Meelijwekkend was zijn poging om het probleem dan maar weg te jagen met verwijzing naar ‘veel grotere problemen elders in de wereld’. Schaf de lokale, regionale en nationale politiek dus maar af?
Vlaams minister-president Kris Peeters – netjes van De Gucht gescheiden vooraf geprogrammeerd in De Zevende Dag – toont zich stilaan een voortrekker van formaat voor Vlaanderen. ‘We gaan onze communicatie versterken, onze beslissingen vertalen, meer contacten leggen en dit op een verstandige manier en niet zoals Karel De Gucht dat smalletjes interpreteert’. Bingo. ‘De Gucht zou hiermee gelukkig moeten zijn… en ook zijn indrukwekkend netwerk moeten gebruiken’. Weer raak. ‘Dat minderheden niet aan bod komen is absoluut onwaar. Heel de federale, Belgische constructie hangt aaneen van minderheidsbeschermende maatregelen (Peeters verwees naar de alarmbelprocedure). ‘In België kan een minderheid alles tegenhouden… en dat kan in geen enkel ander land’. Derde schot, nu vlak in de roos.
Marc Reynbeau hebben we zelden zo zwak gezien als in nog altijd diezelfde Zevende Dag. Ook hij had zich (in De Standaard, 16 mei) vrolijk gemaakt over ‘de grenzen aan de taalwet’… Die domme Vlamingen toch, die vasthouden aan de idee dat het Vlaamse territorium homogeen Nederlandstalig is en moet blijven en die via een splitsing van BHV ervoor willen zorgen dat de Franstaligen ‘niet langer een eigen politieke expressie (sic) krijgen’…Dat een internationale hoofdstad als Brussel, een multiculturele invloed laat gelden op zijn omgeving is voor hem ‘onoverkomelijk’ want de Brusselse agglomeratie telt sociologisch nu ‘al ruim zestig gemeenten’. Het heeft ‘geen zin om bij het oude historische trauma te blijven kamperen’. Reynebeaus heldere oplossing: ‘Nieuwe vormen van sociale cohesie’. Reynebeau stamelde ongeveer dezelfde argumenten in De Zevendedag om even mistig te eindigen met een vage verwijzing naar ‘een moderner antwoord’ op de complexe problemen. Wat dat ook moge wezen…
Peter De Roover kraakte opvallend makkelijk de kromredenering van Reynebeau. Franstaligen kunnen immers wel degelijk verkozen worden (Reynebeau noemt dat ‘politieke expressie krijgen’), want er zit zelfs een FDF’er in het Vlaams Parlement. De drie burgemeesters worden niet benoemd omdat ze de wet overtreden, en voor die wet hebben de Franstaligen mee gezorgd. Het probleem zit elders: Vlamingen passen zich aan en zorgen over de taalgrens niét voor problemen. Het zijn niet de Vlamingen, maar de Franstaligen die de taalgrens willen verleggen.
De conclusie is duidelijk: Vlaanderen moet zelfbewust doorgaan op het pad dat ook Peeters met zijn parlement stilaan met verve uittekent. Als van de 3000 tot 3500 buitenlandse journalisten er maar 1 procent vlot Nederlands spreekt, is er iets aan de knikker. Zou zoiets in Nederland denkbaar zijn? Vlaanderen heeft dus absoluut gelijk – het werd tijd – meer de Vlaamse stem te laten horen aan dat buitenland. Het zal maar ten volle respect afdwingen als het de door Peeters aangekondigde copernicaanse omwenteling realiseert. Het worden belangrijke weken. Niet Vlaanderen is slecht voor het imago van België, maar omgekeerd. Vlaanderen heeft nood aan een degelijk buitenlands beleid om zichzelf op de kaart te zetten. Dat de oude, krakende federale staat dan zoetjesweg van die kaart verdwijnt, zou geen ramp zijn. Integendeel.
Was het niet De Gucht die in 2002 schreef: 'Ik krijg steeds meer de indruk dat België - met alle moeilijkheden en vertragingen in de besluitvorming - geen meerwaarde meer te bieden heeft'. ('De toekomst is vrij', blz. 152) met aanlsuitend een pleidooi voor regionalisering van onder meer...:
MOBILITEIT
GEZONDHEIDSZORG
VOLLEDIGE WERKGELEGENHEIDSBELEID
KINDERBIJSLAGEN
HULP AAN BEJAARDEN EN GEHANDICAPTEN
FISCALITEIT
SPOOR (NMBS)
Derk Jan Eppink noemde ooit Reynders en Verhofstadt 'een achterbaks koppel' vanweg hun complot om Leterme te laten mislukken. In hun buurt opereert volgens Eppink het duo "List en Bedrog" (Dewael en De Gucht). Er zijn buitenlandse journalisten die wél scherp zien.
Terug naar de artikelenlijst.
