Daar is het verankeringsdebat weer

De dreigende sluiting van Opel-Antwerpen, de overname van Fortis door BNP-Paribas, de dominante positie van Franse bedrijven op onze energiemarkt ... Opnieuw blijkt hoe afhankelijk de Vlaamse economie is van buitenlandse groepen. En van de weeromstuit klinkt opnieuw de roep naar Vlaamse verankering van (strategische) bedrijven. Is verankering relevant in een globale economie? Jazeker. Maar een strategie ontwikkelen is een ander paar mouwen. Vlaamse verankering was ooit één van de paradepaardjes waarmee Luc Van den Brande als Vlaams minister-president furore maakte, pakweg vijftien jaar geleden. Ook toen ging het er in belangrijke mate om de toenemende invloed van Franse nutsbedrijven op de Vlaamse economie te counteren. Maar tegelijk ging het er ook toen om ook meer ondernemingen met beslissingscentrum in Vlaanderen te hebben. Deze bekommernis werd overigens in belangrijke mate gedeeld door het Belgische economische establishment. Dat was bezorgd om een Belgische verankering, na de overname van de machtige Generale Maatschappij van België door de Franse groep Suez. Omstreden strategie
Het verankeringspleidooi van weleer was omstreden, ondermeer omdat het zou botsen met de economische logica van de globalisering. Verankering werd gezien als een verkrampt achterhoedegevecht, nutteloos en zelfs contraproductief, wegens gericht op bescherming gevestigde belangen tegen de concurrentie en vernieuwing van nieuwkomers. De verankeringsstrategie was zeker geen onverdeeld succes. De buitenlandse invloed werd weliswaar gecounterd in de watersector. In de telecommunicatiesector werd op initiatief van de Vlaamse overheid Telenet opgericht, verankerd via publieke kabelmaatschappijen, dat een nieuwe dynamiek bracht in de telecommunicatiemarkt. Nieuwe Vlaamse investeringsgroepen zagen het licht. Maar inmiddels nam de Franse invloed op de energiemarkt verder toe. In de financiële sector werd Royale Belge jaren overgenomen door het Franse Axa, BBL door het Nederlandse ING, terwijl het Gemeentekrediet opging in een alliantie met de Fransen via Dexia en recent Fortis in handen viel van het Franse BNP-Paribas. In de distributiesector werd GB overgenomen door het Franse Carrefour. Ook de strategische Vlaamse transportinfrastructuur ging deels in buitenlandse handen over: de luchthaven van Zaventem ging naar een Australische groep, het belangrijkste Antwerpse containerbedrijf naar een Signaporees staatsbedrijf. En tegelijk werden tal van Vlaamse familiale kmo’s overgenomen door buitenlandse groepen. In omgekeerde richting gebeurd er ook wel wat, maar veel minder. Belang van nabijheid Buitenlandse investeerders brengen zuurstof, groei en innovatie in ons bedrijfsleven. Laat daar geen twijfel over bestaan. Maar onze economie heeft ook behoefte aan wereldspelers die hier hun beslissingscentrum hebben. Deze nabijheid van beslissingcentra zijn cruciaal in de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en behoud van bestaande activiteiten, zoals professor Filip Abraham (KU Leuven) overtuigend argumenteert op basis van recent onderzoek . Daar is een aantal redenen voor. Een bedrijfsvestiging die dichter bij de moederonderneming ligt, houdt zich vaker bezig met de kernactiviteiten. Ten tweede, managers die dichter bij de hoofdzetel werken, hebben doorgaans veel directer contact met het hoofdkwartier en kunnen aldus beter anticiperen op hun beslissingen. Ten derde zijn topmanagers deel van de samenleving, en zullen ze dus meer rekening houden met de verwachtingen van hun lokale gemeenschap en aldus ontslagen eerder elders dan op het thuisfront doorvoeren. Inzet Voor een evenwichtige economie is van belang dat de internationalisering een tweerichtingsverkeer is. Met andere woorden de Vlaamse economie heeft ook nood aan internationale doorgroei van bedrijven met lokaal beslissingscentrum. Dat is de inzet van het nieuwe verankeringsdebat. Hoe kunnen we er toe bijdragen meer Vlaamse wereldspelers met beslissingscentrum in Vlaanderen te houden of te krijgen? Dat begint bij het een bedrijfsvriendelijk klimaat dat investeringen bevordert. Verder dienen we onze bedrijven externe fondsen te kunnen bieden om hun groei te financieren, bijvoorbeeld via het XL-fonds van de GIMV, via pensioenfondsen of door de reserves van het Vlaamse zorgfonds om een stukje te beleggen in Vlaamse groeibedrijven. Onze ondernemingen kunnen ook sterker staan op de internationale markten door partnerships aan te gaan, in onderzoek & ontwikkeling, distributie, toelevering, verkoop ... Ook participatie van werknemers kan bijdragen tot behoud van lokale beslissingscentra. Maar vooreerst hebben we nood aan een breed gedragen visie omtrent de nood aan een verankeringsstrategie die niet defensief is maar assertief en toekomstgericht.Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
