Tussen mythe en werkelijkheid:

Sinds de nacht van 10 op 11 april 1934 leeft Vlaanderen bij vlagen in de ban van het mysterie van de Rechtvaardigde Rechters. Altijd staat er wel iemand klaar om triomfantelijk mee te delen dat hij denkt te weten waar het paneel zich bevindt, en het lijkt erop dat de belangstelling nog toeneemt. Het is moeilijk te begrijpen waarom de Vlamingen zich zo weinig inlaten met de Graal. Natuurlijk zijn ze als zoveel anderen gefascineerd geraakt door Dan Brown en zijn soortgenoten, maar ze vergeten dat er voor een speurtocht naar de achtergronden van de Graal meer in Vlaanderen is te vinden dan in het Louvre, in Glastonbury of in Rennes-le-Château.
Het begint allemaal in de 12de eeuw, met de Bourgondische troubadour Chrétien de Troyes, die op zijn veertigste op zoek moest naar een nieuwe mecenas, nadat gravin Marie van Champagne, na de dood van haar echtgenoot, meer aandacht was beginnen te krijgen voor werken van devotie dan voor de schone letteren. Chrétien was meer dan welkom aan het grafelijke hof van Vlaanderen, een van de rijkste en meest prachtvolle van die tijd, het laatste kwart van de twaalfde eeuw.
Lans en schotel
Het was voor graaf Filips van de Elzas dat Chrétien in het begin van de jaren 1180 met het schrijven begon van zijn Perceval ou le Conte du Graal, het eerste van een imposante reeks werken waarin de Graal opduikt. Bij Chrétien is de jonge en onervaren Perceval (Parsifal) te gast in het kasteel van de Visserkoning. Als jonge vrouwen een lans waar bloed afdruipt en een massief gouden schotel, een graal, binnenbrengen in de grote zaal van het kasteel maakt hij de onvergeeflijke fout niet te vragen naar de betekenis van die objecten. Chrétien heeft zijn roman niet afgewerkt en dus ook het raadsel van de Graal en de bloedende lans niet opgelost. Zijn opvolgers hebben van de Graal de beker gemaakt die was gebruikt tijdens het Laatste Avondmaal, en waarin later het bloed van de stervende Christus was opgevangen.
Vlaanderen en de Graal
Chrétien zegt in het begin van zijn roman dat hij het idee van zijn verhaal van graaf Filips zelf heeft gekregen. Die bekentenis zet ons aan het denken aan een aantal historische gebeurtenissen uit de voorafgaande jaren, gebeurtenissen die een band leggen tussen Vlaanderen en de Graal.
Het was Diederik van de Elzas, de vader van Filips, die na afloop van de tweede kruistocht in 1149 een ampul met het heilig bloed mee terug bracht naar Brugge. Hij had de relikwie gekregen van zijn schoonbroer, koning Boudewijn III van Jeruzalem. Diederik, net als andere graven van Vlaanderen voor hem, was gefascineerd door de Oriënt, hij trok er vier keer naar toe, de laatste keer bleef zijn vrouw Sybille zelfs achter in Jeruzalem, waar ze stierf en werd begraven. Diederiks zoon en opvolger Filips van de Elzas bezat duidelijk minder missionaire ijver dan zijn vader. Hij ging weliswaar mee op kruistocht in 1177, maar eenmaal in Jeruzalem deelde hij de plaatselijke potentaten koudweg mee dat hij niet gekomen was om te vechten, maar om te bidden en om een behoorlijke partij te vinden voor enkele nichtjes.
Het was kort na dat eerste, weinig verheffende verblijf, dat graaf Filips Chrétien de Troyes naar Brugge haalde en hem meteen de inspiratie bezorgde om aan zijn graalroman te beginnen. Misschien was Filips tot inkeer gekomen door iets wat hij in Jeruzalem had gezien of meegemaakt en had hij eenmaal terug in Brugge de band gelegd met de relikwie die zijn vader dertig jaar eerder had meegebracht.
Er is nog meer, de koning van Jeruzalem was in de tijd dat graaf Filips voor het eerst in de stad was, niet meer de gesprekspartner van graaf Diederik, maar zijn zoon Boudewijn IV, een echte martelaarsfiguur. De melaatse koning, die in weerwil van zijn handicap geloofd wordt om zijn strijdlust, doet onwillekeurig denken aan de dodelijk zieke Visserkoning uit de graalroman van Chrétien.
En dan is er nog iets dat Vlaanderen verbindt met het Jeruzalem van die tijd. Kort voor de dood van Boudewijn IV werd een Vlaamse ridder van dubieuze moraliteit, Gérard de Ridefort (Geraard van Ruddervoorde?) tot grootmeester van de Tempel gekozen. Gérard was mee verantwoordelijk voor de desastreuze nederlaag van de christenen in 1187, maar tot ieders verbazing spaarde de zegevierende moslimvorst Saladin het leven van de grootmeester. Velen waren er van overtuigd dat Gérard het met de moslims op een akkoord had gegooid. Het heeft er de schijn van dat Gérard net als Filips berouw heeft gekregen voor zijn minder fraaie gedrag. Allebei sneuvelden ze voor de goede zaak, met nauwelijks een jaar verschil, voor de poorten van Akko.
Diederik van de Elzas en zijn relikwie van het Heilige Bloed, de doodzieke visserkoning Boudewijn IV, de mislukte kruistocht van graaf Filips, diens ontmoeting met Chrétien de Troyes, het stichtende einde van Gérard de Ridefort en graaf Filips, het zijn geen verzinsels, maar elementen van wat de hoekstenen kunnen worden van een eigen Vlaams graalreciet.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
