De ondraaglijke lichtheid van de splitsingsfactuur van Aernoudt

05-11-2008 / Jan Van Doren


Rudy Aernoudt, de gewezen Vlaamse topambtenaar en voorzitter van “België Anders”, maakte de splitsingsfactuur op voor dit land. Splitsen, zo rekende hij voor, brengt zware kosten mee voor alle deelstaten. De factuur is gemaakt op een kladje met de spreekwoordelijke natte vinger en gaat er van uit dat er geen baten zijn door een slagvaardiger bestuur. Gewogen en te licht bevonden.

In de berekeningen van Aernoudt worden drie grote posten op de factuur gezet: het wegvallen van interregionale transfers, de toename van het ambtenarenapparaat, en de nood aan investeringen in de merknaam van de nieuwe landen Vlaanderen en Wallonië. De transfers worden geminimaliseerd. Splitsen wordt gelijkgesteld met meer ambtenaren dus meer overheidskosten. Aan het positioneren van de nieuwe merken “Vlaanderen” en “Wallonië” worden mega-investeringskosten verbonden.

Product Vlaanderen

Over deze laatste kostenpost kunnen we kort zijn. De berekeningen missen enig fundament. Vooreerst kunnen we er van uitgaan dat nieuwe staten snel bekend raken eens ze hun intrede doen op de internationale scène, die nog steeds is voorbehouden voor staten. Kijk naar Tsjechië of Slovenië. Bovendien is niet enkel bekendheid van tel, maar ook de inhoud. En bezwaarlijk kan geopperd dat de inhoud van het product Vlaanderen of Wallonië in se slechter is dan België.

Transfers: 5,5 miljard

Het wegvallen van de transfers wordt door klokkenluider Aernoudt geminimaliseerd. Na een reeks correcties brengt hij de transfers terug van 6,5 miljard euro die Vlaanderen jaarlijks betaalt (volgens de meest recente studie van de Vlaamse administratie) tot amper 1,5 miljard euro. Hij baseert zich hiervoor op het rapport van een commissie van experten – taalparitair samengesteld – die in opdracht van de Vlaamse regering in 2006 de transferstudie van de Vlaamse administratie becommentarieerde. Zijn correcties heeft hij zelf berekend op basis van een selectieve lezing van het rapport, dat overigens geen éénduidige conclusies formuleert.

Een eerste correctie betreft een toebedeling van fiscale ontvangsten en sociale bijdragen op basis van werkplaats in plaats van woonplaats. De studie van de Vlaamse administratie verdeelde de ontvangsten op basis van de woonplaats van de persoon die ze betaalt. Aernoudt past het principe van werkplaats toe. Daarmee wint Brussel heel wat middelen, ten kosten van de Vlaanderen en Wallonië gelet op de vele Vlaamse en Waalse pendelaars die werken in Brussel.

Maar Aernoudt spreekt zichzelf dan tegen door voor sociale zekerheid dan toch een correctie door te voeren op basis van de officiële regionale rekeningen, die een verdeling doorvoeren van de sociale bijdragen op basis van woonplaats. Het is het één of het ander. Laat ons dus dan maar de correctie nemen op basis van officiële statistieken. Die zou er op neerkomen dat Vlaanderen zowat een miljard en Wallonië een 300 miljoen moeten prijsgeven aan Brussel. Blijft er voor Vlaanderen dan nog een transfer van 5,5 miljard over.

Ambtenarenkloof

Aernoudt past wel nog een derde correctie toe: de transfers via het federale ambtenarenapparaat laat hij vallen. Ten onrechte: bij splitsing mag er worden van uit gegaan dat - ceteris paribus - elke nieuwe staat van de Belgische overheid de ambtenaren overneemt in een verhouding die aanleunt bij de verdeling volgens taalrol of gewestbevolking. Elke staat dient wel met eigen belastingen die ambtenaren te financieren. Het is zonneklaar dat het Vlaamse aandeel in dit over te nemen ambtenarenkorps lager ligt dan het Vlaamse aandeel in de belastingen. Thans betaalt Vlaanderen voor het Franstalig overtal in de ambtenarij. Bij splitsing valt dit weg. De studie van de Vlaamse administratie heeft dit goed berekend, en daar valt principieel niets op af te dingen.

Dynamiek?

Maar bovenal is de benadering van de voorzitter van de nieuwe beweging “België Anders” verkeerd omdat hij louter statisch redeneert. Hij houdt geen rekening met de dynamiek die een doorgedreven autonomie kan teweegbrengen, zowel in Wallonië als Vlaanderen. Niet langer verlamd door uitzichtloze federale veldslagen en halfslachtige compromissen, en uitgerust met een beleid op maat van de regio, kunnen zowel de Waalse als Vlaamse overheid aan slagkracht winnen. Dit impliceert dat Wallonië het statische verlies aan transfers kan compenseren door extra economische dynamiek waarvan het zelf de vruchten plukt. Het impliceert tevens dat de prijs/kwaliteits-verhouding van de Vlaamse en Waalse overheid kan toenemen. Daarmee wordt de tweede grote post in de splitsingsfactuur van Aernoudt – de zgn toename van overheidskosten - onderuit gehaald.

Kost

Wat kost het meest? Een verdubbeling van administraties en regelgeving door de splitsing van België, of de inefficiëntie in het beleid door de verschillen tussen Noord en Zuid? Dat is de hamvraag die Aernoudt ontwijkt. Notoire economen als Alberto Alesina en Enrico Spolaore hebben zich daarover gebogen in hun referentiewerk “ The Size of Nations” (MIT Press, Cambridge, Massachusetts, 2003). Laat nu net Spolaore de gastspreker zijn op de officiële lancering van het nieuwe onderzoekscentrum Vives (Vlaams onderzoeksinstituut voor economie en samenleving) half oktober. Meteen een opdracht voor het nieuwe instituut: maak een gedegen kosten-baten-analyse van de Belgische boedelscheiding. Geen kladje met natte vinger.

Reacties

Reageer op dit artikel

Terug naar de artikelenlijst.