De hoogbegaafden van de politiek (over populisme)

De jongste tijd wordt er nogal wat gemorst met de woorden “populisme” en “populist”. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het succes van Jean-Marie Dedecker. Dedecker kan men moeilijk in het extreem-rechtse verdomhoekje plaatsen, en dan vormt het verwijt “populist” een handig alternatief om zich van de man te distantiëren.
Er is al veel geleerde inkt gevloeid over de vraag wat een populist nu precies onderscheidt van een normaal politicus. Wetenschappers verwijzen daarbij vaak naar het feit dat de populist iemand is die de kant kiest van “het volk” tegen de gevestigde instellingen en de intellectuele elite. Bovendien zou het populisme worden gekenmerkt door een personencultus en een retoriek die vooral de emoties bespeelt. Populisme wordt meestal beschreven als een ziektebeeld, maar de vraag is of het hier niet gaat om een volstrekt normaal democratisch fenomeen.
De anti-democratische krachten in de eerste helft van de vorige eeuw hadden het vaak smalend over de “massa-democratie”. Democratisering betekende inderdaad dat de intellectuele elite een belangrijk stuk macht moest afstaan aan de toen nog ongeletterde massa, die nauwelijks in politiek was geïnteresseerd en er weinig van af wist. In een dergelijke “massa-democratie” heeft de politicus die de kunst verstaat om toch te appelleren aan de gewone man of vrouw natuurlijk een enorm competitief voordeel. Voor de meer elitaire politici van die tijd was het een echte gruwel dat ze dienden te verlagen tot het niveau van de man-in-de-straat, wilden ze aan de macht blijven. Termen als ‘volksmenner’, ‘demagoog’ en ‘populist’ vormen nu nog steeds het bezinksel van dit anti-democratische ressentiment.
Vandaag hebben de meeste politici zich daarbij neergelegd. Ze besteden fortuinen aan zogenaamde media-training, waarbij ze juist leren hoe ze vonken kunnen doen overslaan naar de massa. De adviezen die ze daarbij krijgen klinken ongeveer als volgt : “Gebruik geen moeilijke woorden, spreek steeds alsof u toehoorder niet ouder is dan 16 jaar, want dat is het niveau van de doorsnee kiezer”, “Maak duidelijk dat u aan de kant staat van de gewone man, dat u zijn problemen begrijpt”, “Wees emotioneel en probeer authentiek over te komen, spreek vanuit de buik”, “Hamer zoveel mogelijk op dezelfde nagel, probeer, als het even kan, in elke zin twee keer de woorden ‘goed bestuur’ of ‘gratis’ te laten vallen...”. Met een beetje slechte wil zou je kunnen zeggen dat de duurbetaalde media-trainingen eigenlijk leerscholen zijn in populisme.
Maar het is in de politiek een beetje zoals in het voetbal. Als je geen talent hebt, dan mag je trainen zoveel je wil, een sterspeler word je nooit. Je kunt ze zowat op één hand tellen, de politieke natuurtalenten, die schijnbaar moeiteloos hun ideeën aan de man kunnen brengen bij de doorsnee kiezer. Het zijn in zekere zin de hoogbegaafden van de politiek. En net zoals dat bij hoogbegaafde kinderen het geval is, hebben de normaal begaafden daar zeer gemengde gevoelens over.
Enerzijds is er natuurlijk een gevoel van ontzag en bewondering. De mindere goden zijn wat blij dat ze mee kunnen profiteren van een electoraal wonderkind. Maar daarnaast is er natuurlijk ook het gevoel van angst en jaloezie, dat langzamerhand de bovenhand haalt. De hoogbegaafde kinderen worden uitgestoten en gepest in de klas. In de politiek zijn de hoogbegaafden des te bedreigender omdat hun talent een bron is van macht. Zo hoort het trouwens ook in een democratie : de macht is recht evenredig met de electorale marktwaarde. Maar wie macht verwerft doet dit altijd ten koste van iemand anders. De normaal begaafden in de partij zien met lede ogen hoe de ‘populisten’ een groot electoraal kapitaal opbouwen en op die manier de partij gaan domineren...
Vandaar dat de partijen doorgaans een zeer ambivalente en wisselende houding aannemen tegenover de hoogbegaafden. Nu eens heet het dat je de kip met de gouden eieren toch maar beter kunt koesteren in de plaats van slachten, dan weer gaat de vrees overheersen dat die kip de gevestigde orde binnen de partij helemaal onderuit zal halen.
Die schizofrene houding tegenover de supergetalenteerden vinden we overigens ook in de media. Stemmenkanonnen zijn ook kijkcijferkanonnen, en daarom worden ze met gretigheid opgevoerd in praat- en andere programma’s. ‘Populisten’ zijn immers meesters in het bespelen van de media en voelen zich als een vis in het water in de meest uiteenlopende formats. Maar het duurt meestal niet lang of in de redacties duikt de vraag op of men “zo iemand” wel een forum mag geven. Ook hier treden er dus al snel uitstotingsverschijnselen op, al wegen die nooit echt op tegen de ijzeren wet van de kijk-, lees- of luistercijfers. De ‘populisten’ blijven graag geziene gasten. Maar de journalisten zijn wel extra op hun hoede, dat spreekt. Want die massademocratie, tja, dat blijft toch maar een gevaarlijk ding.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.

