Verzuurde marge

Bij de Zevende Dag wilden ze wel eens weten waarom ik de petitie ‘red de solidariteit’ (lees ‘red België’) niet had ondertekend. Tijdens de na-babbel in het VRT-foyer zei professor Decoster, die de petitie in het debat verdedigde, dat De Standaard een wel heel flamingante krant was. In de opiniebladzijden – waar hij enkele weken eerder nochtans een stuk had kunnen plaatsen – krioelde het volgens hem van de autonomisten, terwijl de Belgische stem maar zelden aan bod komt. Ik somde een reeks Belgische stemmen op die geregeld in De Standaard weerklinken en vroeg hem naar tegenvoorbeelden. ‘Ik heb daar geen telling van gemaakt.’ Waarop ik weer: ‘Dan kunt u daar beter geen uitspraken over doen’.
’t Is maar waar je de streep trekt. Voor of tegen België? Die laatste club komt maar schaars aan bod. Voor of tegen een staatshervorming? Die laatste club komen we ook maar zelden tegen of het moeten Franstaligen zijn.
Enkele weken later kreeg ik het bezoek van Ruud Goossens van De Morgen. Sympathieke kerel trouwens. Maar wel iemand die bezwaarlijk in “ons” kamp kan worden gesitueerd. Na het vraaggesprek gooide ik hem provocatief voor de voeten: ‘Waarom is uw gazetteke zo Belgischgezind?’ Hij beweerde dat er op zijn redactie weinig rondlopen die het warm krijgen van het Belgische vaandel. Ik denk dat hij daarmee de waarheid sprak. Maar het krioelt er wel van figuren die het koud krijgen van de Vlaamse Leeuw. Boeiend gesprek over gehad. Feit blijft dat De Standaard in vergelijking met De Morgen een nest van flamingantisme kan genoemd worden. En in vergelijking met Doorbraak een centrum van Belgische recuperatie. Dit blad moet dan weer lauw genoemd worden, vergeleken met het veelgelezen periodiek ‘den eeuwigen ontstemden Vlaminck’.
Voor Kanaal Z voerde ik een debat over de taalgrens met professor Vermeersch. Ik zie tegenwoordig meer professoren dan tijdens mijn studiejaren. Naar huis rijdend had ik de indruk dat Vermeersch toch wel heel wat ruimer aan bod was gekomen. Een brave ziel bezorgde me enkele dagen later de uitgetikte tekst van de uitzending. Bleek dat ik 51,5% van de uitgesproken woorden voor mijn rekening had genomen. ‘Natuurlijk, jij spreekt sneller’, verklaarde een vriend het verschil tussen feit en perceptie. Ik leerde zelf niet helemaal bevrijd te zijn van de Calimero-reflex (‘ik ben klein, de anderen groot’, lees: de buitenwereld is stout).
En toen kwam een rondzendmail binnen. Met een oproep om De Standaard te boycotten. “Platvloers anti-Vlaams”, “belachelijk belgicistisch”, “regimekrant” luidde het fijnzinnig en genuanceerd in een schrijven aan De Standaard-hoofdredacteur Vandermeersch. Ja, ik vind dat De Standaard wat geel-zwarter zou mogen zijn. Ja, ik meen dat het onafhankelijkheidsdenken er soms ongenuanceerd wordt behandeld. Maar het soort literatuur van genoemde e-post doet me huiveren. Hoe overtuigend is frustratie? Hoe wervend boertigheid? Hoeveel indruk maakt zo’n manifeste uiting van gebrek aan zelfvertrouwen? Hoeveel mensen willen opstappen achter een zwart, mokkend kuiken met gebroken eierschaal op het hoofd?
Het debat over de Vlaamse onafhankelijkheid werd de jongste maanden salonfähig. Waar halen ‘medestanders’ het in hun hoofd dit te verknoeien door alle clichés actief te gaan bevestigen? Mijn Vlaamse strijd situeert zich niet ergens in de verzuurde marge, maar midden in de maatschappij. Ergens in de buurt van die 51e procent. Want zo ver zijn we intussen gelukkig wel gekomen. Met mijn excuses aan de diehards omdat ik een journalist van De Morgen een pint heb geoffreerd in mijn woonkamer.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
