Lof der traagheid

De aanslepende institutionele crisis die sinds 10 juni België in zijn greep houdt, wordt door de meeste commentatoren als iets nefasts gekwalificeerd. Het beraad ‘slabakt’, er wordt ‘nauwelijks of geen vooruitgang geboekt’, Elio di Rupo spreekt hilarisch van een rondje ‘surplacen’. Toch zijn het misschien net die clichés die ons op een andere waarheid wijzen: traagheid heeft ook zijn voordelen. In die vier maanden zijn immers meer zekerheden in vraag gesteld dan in 175 jaar vaderlandse geschiedenis.
In Brussel verschenen er tricolore vlaggen aan de balkonnetjes, een ‘Red België’-petitie werd door zo’n 500 nostalgische BB’s ondertekend, maar vooral: er kwam een publiek debat op gang rond zin en onzin van de bestaande instellingen, de Belgische constructie, de monarchie. Elke dag brokkelt in Vlaanderen, volgens peilingen, de meerderheid af die nog heil ziet in het bestaande regime. Pendent opera interrupta, het raderwerk stokt, de tongen komen los: de geschiedenis leert ons dat dingen kantelen vanuit een impasse.
Zowat een maand geleden deed zich een opmerkelijk feit voor dat op het eerste zicht niets met de huidige regimecrisis te maken heeft: de terugkeer van de Hoegaardse witbierproductie uit Jupille naar de plek waar het begon, Hoegaarden zelf. Er werden syndicale vreugdevuren ontstoken, in het dorp kon de leut niet op, en ook de bierliefhebbers waren in hun sas. De bredere symboliek van deze gebeurtenis ging nochtans onopgemerkt voorbij, ook bij bovenvermelde commentatoren. En ik heb het dan niét over het feit dat een Waalse brouwerij vruchteloos probeerde om een Vlaams recept te kopiëren. De conclusies uit Inbevs Hoegaarden-debacle reiken veel verder; ze leiden tot het inzicht dat niet alles om ’t even waar en door om ’t even wie kan gemaakt worden. Dat sjablonen niet zomaar universeel kunnen worden toegepast. En dat de rekenkunde van een multinational even abstract en wereldvreemd is, als de rekenkunde die Europa en België voorlopig nog samenhoudt. Ik reconstrueer kort dit verhaal over rationaliteit en magie, kwantiteit en kwaliteit, snelle winst en trage gistingsprocessen. Het kan de tenoren van het huidige institutioneel debat van pas komen
‘Twee keer straffer, en dan verdunnen’ De oorsprong van het Hoegaardse witbier gaat terug tot in het begin van de 14e eeuw en heeft te maken met de intense tarweteelt in deze steek. Tarwe is het hoofdbestanddeel van het troebele witbier, naast mout, hop, water en een heel specifiek kruidenmengsel. Eeuwenlang teerde Hoegaarden op deze exclusiviteit, die als het ware door de vette Haspengouwse bodem zelf werd gemaakt. Maar de moderne marktwetten drongen zich op. Al in de 18e eeuw speelt de globalisering dit streekproduct parten: door de uitbreiding van het wegennet wordt het witbier door de pilsbieren (zoals Stella) weggeconcurreerd. Bovendien is de pilsproductie minder tijdrovend (‘time is money’) en dus goedkoper. In 1957 houdt de laatste Hoegaardse brouwer, Tomsin, het voor bekeken.
Zo’n 10 jaar later probeert de melkventer Pierre Celis, die nog in de oude brouwerij had geholpen, het opnieuw. Hij slaagt erin, vanuit het geheugen en door gesprekken met ex-werknemers, het recept op te diepen en brengt de nieuwe Blanche op de markt, met groot succes. Sindsdien werd Celis herhaaldelijk, naar eigen zeggen, tamelijk agressief benaderd door het Leuvense Interbrew (het huidige Inbev) om brouwerij De Kluis te verkopen. Celis houdt de boot af, maar in 1985 vernielt een brand de brouwerij in Hoegaarden nagenoeg totaal. De oorzaak is nooit achterhaald, het gerechterlijk onderzoek werd vrij snel stopgezet. Tot op vandaag wordt er in het dorp gefluisterd dat deze catastrofe Interbrew bijzonder goed uitkwam, temeer omdat de gistingketels zelf intact bleven ...
En inderdaad: vrijwel onmiddellijk verscheen de Leuvense biergigant op het toneel om vers kapitaal te injecteren en zich in De Kluis in te kopen. Daar moest wat tegenover staan: om de productie te versnellen en de capaciteit op te voeren voor de wereldmarkt, werd Celis verzocht om zijn bereidingswijze aan te passen: ‘'twee keer zo straf brouwen, en dan met water aanlengen’. Een aanzienlijke tijdbesparing, tel uit uw winst. Kenners begonnen opmerkingen te maken over een fletse smaak. Pierre Celis voelde er zich hoe langer hoe slechter bij en verkocht tenslotte zijn resterende aandelen om in Amerika een nieuw witbier te ontwikkelen.
De rest van het Interbrew/Inbev-verhaal is gekend: Hoegaarden verhuisde naar Jupille. Alleen de bottelarij en de nagisting-op-fles bleven ter plekke. En, o ja, de multinational plantte er zowaar ook een museum neer, een educatief bezoekerscentrum om enige folklore te creëren rond het gekidnapte streekbier. Het cynisme van de communicatie-experten bestond er in, om het spookdorp tot themapark uit te roepen, een soort Bokrijk van het witbier. In Jupille slagen ze er ondertussen niet in om het Hoegaardse recept uit te voeren. Complete sloten afgekeurd brouwsel (zelfs de kleur trok niet op de aloude Blanche) worden in de Maas gekeild, of aan Nederlandse veevoederfabrikanten verkocht (boze tongen beweren dat deze foezel via-via toch in de Hollandse cafés terechtkwam ...). Tot heel de delocatie wordt afgeblazen en de Braziliaanse fluitjesbierproducent beteuterd moet toegeven dat het toch niet zo simpel was als de boekhouders hadden voorgerekend.
Zo kwam de Witte terug thuis. En inderdaad, de terugkeer van Hoegaarden naar Hoegaarden is “maar” een symbool. Inbev behoudt het label en strijkt de winst op. Morgen kan De Kluis met één pennetrek weer een lege schuur worden. Toch is het verhaal hoopgevend. De globalistische mythe van de totale maakbaarheid en inwisselbaarheid houdt hier op, en wordt gecounterd door iets wat we voorlopig maar ‘de magie van de plek’ zullen noemen. Het vertelt ons dat er andere, ‘trage’, onzichtbare processen aan het werk zijn, die de snelle procédés inhalen. Onder de waan van de dag, het gereken en het gesjacher, gist een fundamentele maar discrete chemie, die vroeg of laat haar waarheid doet gelden. Eilanden van kwaliteit, die op een of andere manier hun integriteit weten te bewaren. Uniek, vrouwelijk, plekbewust, compromisloos. In een wereld waar alles onderweg is, zo rap en goedkoop mogelijk, zijn onverzettelijke individuen, onverplaatsbare processen en onkopieerbare recepten een verademing.
Johan Sanctorum
Johan Sanctorum is cultuurfilosoof en columnist www.visionair-belgie.be
Illustratie
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
