Vlaamse parlementairen hebben een dringende taak
De Grondwet van de federale staat België heeft iets revolutionairs. Sommige aspecten ervan komen in geen enkele andere federale staat (Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Amerika, Brazilië, Nigeria,...) voor.
In alle federale staten worden de deelstaten (states, estados, Länder of kantons) als deelstaat “erkend”. In het nog unitaire België kon dat blijkbaar niet. Derhalve zitten wij opgescheept met een ingewikkeld en voor het buitenland onbegrijpelijk systeem van Gemeenschappen en Gewesten. Stilaan echter – men kan zich hierover slechts verheugen – duikt het woord deelstaten toch op in de officiële teksten. Zo ook in het jongste regeerakkoord. In veel federale staten hebben de deelstaten een eigen grondwet. Daar moeten wij ook naartoe.
Er is een tweede aspect. De deelstaten (Gemeenschappen en Gewesten) zijn volgens onze Grondwet bevoegd voor de buitenlandse betrekkingen van dié materies die tot hun uitsluitende bevoegdheden behoren – een hele brok – en kunnen over deze materies internationale verdragen afsluiten. Dat staat in geen enkele grondwet van een andere federale staat. Vlaanderen - en ook Wallonië – kan dus met alle landen van de wereld verdragen afsluiten over cultuur, milieu, landbouw, enzovoort én over die exclusieve aangelegenheden met een eigen stem spreken in alle internationale organisaties.
Dat is echter niet zo eenvoudig, omdat in internationale organisaties enkel “staten” lid zijn. In het geval van België moet derhalve een compromis worden gezocht over wie België vertegenwoordigt bijvoorbeeld in de Unesco, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Arbeidsorganisatie en over hoe België stemt indien de deelstaten het niet eens zouden zijn. Dat maakt permanent overleg noodzakelijk en is geen gezonde toestand omwille van de permanente koehandel tussen de deelstaten.
Wie “uitsluitende” bevoegdheden wil voor deelstaten – en dat is de huidige grondwettelijke toestand in België – moet de deelstaten ook hun eigen zeg geven in alle internationale instellingen die enige bevoegdheid hebben waarvoor ook Vlaanderen bevoegdheid heeft.
Dit veronderstelt een totale inzet van alle Vlaamse volksvertegenwoordigers – in het Vlaams en in het federaal parlement – om druk uit te oefenen op de Vlaamse en federale regering om in internationale problemen het Vlaamse standpunt voorop te stellen.
Het eerste luik van het buitenlands beleid van Vlaanderen bestaat er derhalve in dat over die materie in het Vlaams Parlement regelmatig een grondig debat wordt gevoerd. Ik weet dat dit thema electoraal niet zeer lonend is. Maar het is erg belangrijk, omdat de unitaire krachten in dit land aspecten van het buitenlands beleid – ook al is het gedeeltelijk overgedragen naar de deelstaten – toch in eigen handen wensen te behouden of willen heroveren.
De buitenlandse handel bijvoorbeeld is een materie die teruggeschroefd wordt, na eerder uitdrukkelijk toegekend te zijn aan de deelstaten. We krijgen nu een federaal minister bevoegd voor de Belgische buitenlandse handel die ook de Dienst voor Buitenlandse Handel zal voorzitten - iets waarvan wij Vlamingen dachten dat na de regionalisering van deze materie een lege doos was geworden. De Vlaamse buitenlandse handel, goed voor zeventig procent van die van België, wordt door het federale niveau teruggekaapt.
Ook de benoeming van een voltijds federaal minister voor Ontwikkelingssamenwerking staat haaks op de eerdere toekenning van deze materie aan de deelstaten.
Het toekennen van de wapenexport aan de deelstaten (iets dat Wallonië zich jaren geleden éénzijdig en illegaal had toegeëigend) vereist dat regering en parlement van die deelstaten zich zullen kunnen uitspreken over de ethische, politieke en juridische aspecten van de wapenhandel. Zijn ze daartoe bereid en bekwaam? Tot nu toe was dit een bevoegdheid van Buitenlandse Zaken.
Tweede luik
Een tweede luik van het buitenlands beleid van Vlaanderen wordt vertegenwoordigd door de zogenaamde ‘gemengde materies’: internationale verdragen en standpunten omtrent materies die “gedeeltelijk” behoren tot de bevoegdheden van de deelstaten.
Internationale handel is opnieuw een goed voorbeeld. De Internationale Handelsorganisatie of WTO (het vroegere GATT) berust op een verdrag dat ook raakvlakken vertoont met de uitsluitende bevoegdheden van de deelstaten bij ons. Daarom moest dit verdrag ook door de parlementen van de deelstaten worden goedgekeurd.
Andere voorbeelden hebben betrekking op het internationaal milieubeleid (het Kyoto-verdrag).
Minderheden
Een beter voorbeeld nog is het berucht kaderverdrag over de nationale minderheden dat door de Raad van Europa werd opgesteld. Dat verdrag omvat vooral materies zoals taal, onderwijs en cultuur, waarvoor de deelstaten (namelijk de Gemeenschappen) bevoegd zijn. Het kan geen uitwerking hebben als het (naast de goedkeuring door het nationaal parlement) ook niet de goedkeuring krijgt van de deelstaten.
Vlaanderen (regering en parlement) mogen dit kaderverdrag niet goedkeuren. De Franstaligen zouden dan verkrijgen wat het Europees Hof in Straatsburg hun in 1967 heeft ontzegd, namelijk dat de taalgrens en de taalregimes in het onderwijs en de administratie niet discriminatoir zijn.
Er moeten inmiddels nog andere ontwikkelingen in overweging worden genomen. Meer en meer vreemdelingen verkrijgen de Belgische nationaliteit, maar behouden hun eigen zeden en gewoonten, godsdienst en taal. Zij zullen derhalve binnen afzienbare tijd een echte nationale minderheid zijn: Belgen die zich niet integreren en die eisen zullen stellen om onderwijs en toegang tot de administratie te krijgen in hun eigen taal, waar zij zich ook bevinden. Het territorialiteitsbeginsel volgens hetwelk de taal van het onderwijs en van de administratie de taal is van de regio mag niet doorbroken worden omwille van een verkeerde interpretatie van de verdraagzaamheid. Wie ervoor opteert om in Vlaanderen te komen wonen, leven en werken, moet ook de taal van de regio aanvaarden. Anders is integratie een ijdel begrip.
De goedkeuring van de gemengde verdragen gaat derhalve niet alleen de leden van het Vlaams Parlement aan. Ook Vlaamse leden van het federaal parlement zouden niet anders mogen stemmen dan de leden van het Vlaams Parlement over aangelegenheden die uitsluitend of gedeeltelijk betrekking hebben op materies die behoren tot de bevoegdheden van de Vlaamse deelstaat.
Belangrijker is echter dat vertegenwoordigers van de Vlaamse administratie van in het begin rechtstreeks worden betrokken bij de onderhandelingen over gemengde verdragen. Dat veronderstelt niet alleen een grondige dossierkennis op het niveau van de deelstaten, maar ook een klaar inzicht in de belangen van Vlaanderen.
Derde luik
Het derde luik is dan het eigenlijek buitenlandse beleid van de Staat België. Kan Vlaanderen dit nationaal beleid mee bepalen? Het antwoord op deze vraag is uiteraard positief. Wij zijn de meerderheid in dit land; de buitenlandse handel van België is hoofdzakelijk toe te schrijven aan Vlaanderen.
De vraag is evenwel of België zijn eigen buitenlands beleid nog zélf kan bepalen. Recente gebeurtenissen hebben immers aangetoond hoezeer België in het gareel moet lopen van andere mogendheden, ook al durven wij even met de spierballen rollen om te tonen hoe soeverein we durven zijn door de weigering van de doortocht van Amerikaanse troepen via Antwerpen, of door te pochen op onze zogenaamde genocidewet. Beide houdingen heeft België, onder Amerikaanse druk, moeten inslikken. Een beschamende afgang, ook al is het beginsel van de universele strafjurisdictie in se toe te juichen.
Wat stelt het buitenlandse beleid van België nog voor? Ons veiligheidsbeleid is niet meer nationaal: het is ingebed zowel in de Navo als in de Europese Unie. Ons ontwikkelingsbeleid is verdeeld tussen de deelstaten en, wat er mogelijk nog overblijft, voor het federale. Wij hadden het al over de buitenlandse handel. Het buitenlandse beleid van een staat heeft meerdere hefbomen: buitenlandse handel, ontwikkelingssamenwerking en cultuur. Geen van deze materies behoort nog tot de bevoegdheid van de federale regering!Er dreigt derhalve een spanning te ontstaan tussen de theorie en de realiteit. Het unitaire België doet in het buitenland alsof zijn neus bloedt, en gaat rustig zijn gang om bevoegdheden op het gebied van de buitenlandse handel en de ontwikkelingssamenwerking uit te oefenen die het helemaal niet meer heeft !
Besluit
Vlaanderen moet ernstig werk maken van zijn eigen promotie in het buitenland. Vlaanderen moet herkenbaar gemaakt worden, niet als een plek waar er Breugeliaans geleefd wordt of waar de Vlaamse feestdag met officiële steun herleid wordt tot barbecuefeesten, pensenkermissen en schampliederen. Wél dringend nodig zijn goed voorbereide internationale studiedagen en publicaties om het buitenland te informeren over wat Vlaanderen, binnen de Belgische staatsstructuur, op het internationaal vlak kan en mag. Hieromtrent bestaat in het buitenland een nagenoeg totale onkunde.
Ook de meer dan drieduizend buitenlandse studenten in ons hoger onderwijs kunnen mits een gezamenlijke inspanning door deze instellingen, toeristische organisaties, culturele verenigingen, de Vlaamse regering en economische groeperingen – eens terug thuis – actieve gezanten en promotoren worden van Vlaanderen en van de Vlaamse belangen.
Dit zijn slechts enkele beschouwingen en suggesties waarvan de doorbraak in de handen ligt van alle Vlaamse parlementsleden, van de actieve belangstelling en inzet van de Vlaamse verenigingen, en van heel de Vlaamse bevolking.
Erik Suy is emeritus hoogleraar aan de KU Leuven, Oud Adjunct-Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, voorzitter van de VTB-VAB, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst (Brussel).
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
