Turkse democratie op de tweesprong

‘Creëer in Turkije deelstaten en richt zo een Koerdische deelstaat op!’ Met deze gedurfde woorden wendde Leyla Zana, een Turkse politica van Koerdische origine, zich kort voor de parlementsverkiezingen van 22 juli 2007 tot de autoriteiten in Ankara. Ondertussen geniet Zana genoeg internationale renommée om niet weer een jarenlange gevangenisstraf te moeten vrezen.
Alles wat zweemt naar federalisme of zelfs maar culturele autonomie voor de Turkse Koerden doet immers nog altijd de wenkbrauwen fronsen in de unitaire en op cultureel-homogene leest geschoeide staat die Turkije sinds de oprichting van de republiek in 1923 is (1).
Toch beweegt de laatste jaren één en ander in Turkije. Religie en Koerdisch nationalisme, altijd al taboethema’s, zijn de laatste tijd bespreekbaar geworden. Met de AKP staan islamisten sinds 2002 aan het roer van een staat die het werk is van de secularist Mustafa Kemal Atatürk.
Zeer tot ongenoegen van de aanhangers van Atatürk, het seculiere establishment dat zich rekruteert uit de milieus van leger, justitie, journalistiek en intelligentsia. Maar het wantrouwen en het verzet van de “kemalisten” tegen AKP-premier Tayyip Erdogan konden niet beletten dat zijn partij op 22 juli de helft van de stemmen wegkaapte, 15 % meer dan bij de verkiezingen van november 2002. De zogenaamd gematigde islam is niet meer weg te denken uit het politieke landschap van Turkije, integendeel, hij heeft de touwtjes stevig in handen.
Tegelijk zijn tientallen vertegenwoordigers van de Koerdische DTP als “onafhankelijken” in het Turkse parlement gekozen. Ook al vormen ze technisch gezien geen fractie, zullen ze de belangen behartigen van Zuidoost-Anatolië, zoals het Koerdische gebied officieel heet.
Kemalisten
De cijfers liegen er niet om: het Turkse halfrond wordt gedomineerd door die stromingen die de kemalisten, de behoeders van Atatürks politieke erfenis, verafschuwen. De machtige legertop heeft het weer voor het nakijken, net zoals in 1983 toen hun gedoodverfde kandidaat het bijltje moest leggen voor de religieus geïnspireerde Turgut Özal, die de Turkse economie zou hervormen naar het voorbeeld van Thatcher en Reagan. Een bewijs dat de economische toestand de doorslag geeft in het Turkse verkiezingsleven.
De Turken schonken de AKP in 2002 de overwinning omdat ze hun bekomst hadden van de politieke en economische chaos die Bülent Ecevit aanrichtte, en nu weer in 2007 omdat ze haar economisch succesprogramma en hervormingsproces richting Europese Unie wisten te smaken. De uitslag is al bij al een goede zaak voor de democratie.
De kiesdrempel van tien procent, in feite geconstrueerd als “Koerdenbarrière”, maakte dat er in 2002 slechts twee partijen, de AKP en de CHP, in het parlement zaten. De AKP verkreeg toen dus meer zetels dan haar in feite toekwamen. Het stelde haar in staat daadkrachtig te regeren en verregaande hervormingen door het parlement te sluizen. Maar iedereen zat met het wrange gevoel dat de AKP met de stemmen regeerde van mensen die voor andere partijen hadden gestemd. Nu zijn de verhoudingen beter uitgeklaard en is de legitimiteit van de volksvertegenwoordigers meer gegrondvest.
Oppositie
De AKP heeft meer stemmen en toch minder zetels dan in 2002. Geen tweederde meerderheid zoals gevreesd door de seculiere krachten. Er is nu een krachtigere oppositie aanwezig in de vorm van de Republikeinse Volkspartij (CHP) en de Nationale Actiepartij (MHP) met respectievelijk 20 en 14 procent.
De gelijktijdige aanwezigheid van Turkse staatsnationalisten (van de MHP) en Koerdische nationalisten belooft vuurwerk in het parlement, maar beter dat daar een ventiel bestaat voor de Turks-nationalistische diehards dan dat hun Grijze Wolven hun haat tegen de Koerdische natie ondergronds of op straat uitvechten.
De alevieten, een heterodoxe stroming binnen de islam, die ongeveer 15 procent van de Turkse bevolking uitmaakt, hebben vanuit hun seculiere sympathie grotendeels gestemd voor de CHP, de partij van Atatürk. Misschien krijgen ze nu meer gehoor in een maatschappij waarin de soennitische versie van de islam overheerst.
De AKP prijst zichzelf graag aan als een Turkse versie van de Duitse CDU, een partij die hoogstens “wertkonservativ” is en een liberaal economisch model in het vaandel voert. Voorzichtigheid is nochtans geboden voor deze “wolf in schaapsvacht”, zoals de kemalisten plegen te zeggen.
In het middenkader van het staatsapparaat is onder de AKP het aandeel van de vrouwen gedaald van 30 naar 27 procent, en de overblijvende vrouwen krijgen te maken met denigrerende opmerkingen van hun mannelijke collega’s die denken in termen van “vrouwen aan de haard”. Dat belooft, mocht de regerende partij erin slagen een president van AKP-strekking verkozen te krijgen. Ook in de hogere kaders zullen vrouwen en seculiere krachten dan minder kansen krijgen.
Dirk Rochtus is docent internationale politiek aan de Lessius Hogeschool Antwerpen en de UA
(1) Leestip: Bruce Clark, Twice A Stranger. How Mass Expulsion Forged Modern Greece and Turkey, Granta Books, 2006. Over de verdrijving van orthodoxe christenen en moslims uit respectievelijk Turkije en Griekenland.
Reacties
Terug naar de artikelenlijst.
