Ons Europa
Besluiten van het Nationaal Congres van de VVB
15 december 1996
Welke structuur voor een beter Europa?
1.1 bevoegdheden
resolutie 1:
1.1 De staatsvorming steunt bij voorkeur op het beginsel dat elk volk een staat vormt.
1.2 De VVB kiest resoluut voor de uitbouw van een Europese Statenbond
en neemt afstand van de tendens om de EU federaal uit te bouwen. De
Europese Statenbond wordt opgebouwd door soevereine lidstaten. De
nationale staat blijft als fundamentele en soevereine basiseenheid
bestaan. Bijgevolg moet het mechanisme van Verordeningen, die op
uniforme wijze van toepassing zijn in de lidstaten zonder omzetting in
nationaal recht, worden afgeschaft.
1.3 De Europese Statenbond heeft geen rechtstreekse bevoegdheid t.o.v.
de burgers, maar biedt een forum om vaste afspraken te maken tussen de
lidstaten. De VVB wijst dan ook elke ontwikkeling in de richting van
een Europese supranationaliteit van de hand, vanuit het beginsel dat
het burgerschap noodzakelijkerwijs en uitsluitend met de nationale
staat verbonden blijft. De kwesties van staatsburgerschap behoren tot
de kern van de nationale soevereiniteit. Daarom blijven lidstaten
bevoegd voor de toekenning en de invulling ervan.
1.4 Naast de Europese Statenbond moet er ruimte blijven voor andere
internationale, ook binnen- én buiten-Europese, samenwerkingsverbanden.
Voor Vlaanderen heeft de politieke samenwerking met Nederland een
algemene voorrang, ook met het oog op de gemeenschappelijke
belangen(verdediging) in Europa.
resolutie 2:
2.1 De Europese instellingen en organen moeten de grondwettelijke ordening van de lidstaten aanvaarden en in al haar consequenties eerbiedigen.
resolutie 3:
3.1 De natie behoudt de volheid van bevoegdheid. In beginsel komen alleen materies met een groot grensoverschrijdend effect (ook gekend als oversijpelingseffect) of waarvan de uitoefening op Europees niveau een duidelijke, aantoonbare meerwaarde oplevert in aanmerking voor overdracht aan de Europese Statenbond. De staten kunnen deze zaken ook op gelijk welk ogenblik weer naar zich toehalen.
resolutie 4:
4.1 De nationale staat blijft de hoofdverantwoordelijke voor het
voeren van het overheidsbeleid en moet daarvoor ook voldoende ruimte
behouden.
4.2 De lidstaten leggen binnen het kader van de Europese Statenbond
gezamenlijke minimumregels vast, waarbinnen de interstatelijke
solidariteit geregeld wordt. Het via Europa gecoördineerde beleid laat
ruimte voor de nationale eigenheden en de uitbouw door de lidstaten van
een sociaal, ecologisch én cultureel verantwoorde gemeenschappelijke
markt. Het via Europa gecoördineerde beleid vertrekt vanuit de
verrijkende verscheidenheid van de lidstaten, die hierbij als een
belangrijke meerwaarde wordt vooropgesteld.
resolutie 5:
5.1 Bij de noodzakelijke herziening van de Europese verdragen moeten
alle, binnen de huidige Europese Unie als verworven beschouwde
bevoegdheidspakketten het zogenaamde ‘acquis communautaire’ opnieuw
bespreekbaar zijn.
5.2 Voor het beheersen van het internationaal muntsysteem moeten alternatieven voor de Europese eenheidsmunt worden verkozen.
resolutie 6:
6.1 De intergouvernementele besluitvorming (beslissen bij eenparigheid) heeft voorrang en vormt de regel. De communautaire besluitvorming ( beslissingen met meerderheden opdringen zonodig tegen bepaalde lidstaten in) is de uitzondering. Ze is alleen van toepassing op materies waarover intergouvernementeel uitdrukkelijk werd beslist voor afstand van bevoegdheid.
1.2 Instellingen en organen
resolutie 7:
7.1 Het Comité van de regio's biedt geen ernstige basis voor deelname van Vlaanderen aan de Europese structuur.
resolutie 8:
8.1 De Raad van ministers, waarin de ministers beslissen met mandaat
van hun nationaal parlement (of parlementen) blijft de kern vormen van
de Europese besluitvorming. In beginsel gebeurt dit bij eenparigheid.
Bij gekwalificeerde meerderheidsbeslissingen beschikken kleinere
lidstaten over een proportionele oververtegenwoordiging.
8.2 Het stemgedrag in de Raad van Ministers moet openbaar zijn.
resolutie 9:
9.1 De Europese Commissie wordt een uitvoerend secretariaat van de
Raad van Ministers, bestaande uit door de lidstaten aangeduide
commissarissen.
9.2 De Europese Commissie verliest haar initiatiefrecht.
resolutie 10:
10.1 Het Europees Parlement wordt vervangen door een Interparlementaire Europese Raad, bestaande uit afgevaardigden van de nationale parlementen, met de bevoegdheid om informatie op te vragen bij Europese instellingen en organen en de opdracht die informatie door te spelen naar de nationale parlementen.
1.3 uitbreiding/verdieping
resolutie 11:
11.1 De Europese Statenbond moet openstaan voor alle Europese staten. Dit moet een doel zijn dat voorrang krijgt op de verdieping van het huidige deel-Europa. Dit maakt het nodig om een aantal van de huidige EU-bevoegdheden terug te schroeven.
Taal en cultuur in Europa
2.1 cultuur
resolutie 12:
12.1 De Europese Statenbond erkent en eerbiedigt de nationale en culturele identiteit van zijn volkeren, die bij voorkeur een eigen staat vormen, in het volle besef dat hun verscheidenheid zijn rijkdom en, ook economische, troefkaart vormt.
resolutie 13:
13.1 Cultuur behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale staten. De Europese Statenbond moet rekening houden met de culturele dimensie, in de meest brede zin, bij de voorbereiding en de uitvoering van zijn beleid. De Europese Statenbond kan door twee of meer staten verzocht worden, sommige gemeenschappelijke culturele initiatieven te helpen coördineren. Bij twijfel over de bevoegdheid m.b.t. gemengde economisch-culturele aangelegenheden, zijn alleen de staten bevoegd.
2.2 taal
resolutie 14:
14.1 Elke lidstaat, of desgevallend deelstaat ervan, behoudt het
soevereine recht om een taalwetgeving uit te werken naar eigen inzicht.
Deze wetgeving moet geëerbiedigd worden door alle Europese instellingen.
14.2 In hun niet-ambtelijke contacten dienen de Europese instellingen
en hun medewerkers de taalwetgeving van de vestigingsplaats te
eerbiedigen.
14.3 De Vlaamse en de Nederlandse overheden en hun ambtenaren dienen in
alle omstandigheden het Nederlands als werktaal te gebruiken in hun
betrekkingen met de Europese instellingen.
resolutie 15* :
15.1 Elke Europese taal is evenwaardig en moet als zodanig behandeld worden.
15.2 Iedere burger communiceert via de nationale overheid met de
Europese instellingen en organen. Dit gebeurt dus volgens het
taalregime dat nationaal bepaald wordt.
15.3 Alle publicaties van de Europese instellingen moeten ter beschikking staan in elke officiële Europese taal.
resolutie 16:
16.1 Alle officieel erkende talen van de lidstaten zijn volwaardige werktalen in de Europese instellingen.
16.2 Een realistische werkregeling, die het aantal per geval gebruikte
interne werktalen beperkt, moet alle talen een evenwaardige plaats
geven. D.w.z. dat in verschillende instellingen verschillende talen als
officiële werktaal kunnen gebruikt worden.
16.3 De officiële taal/talen van de plaats waar een Europese instelling
is gevestigd, wordt/worden in elk geval verplicht gebruikt als
volwaardige werktaal/werktalen voor die instelling.
* Een lijst van alle, op een beleidsniveau officieel erkende talen in de Europese Staten zal ter beschikking gesteld worden.
